Huwelijk
Huwelijk en kinderen krijgen zijn altijd zeer nauw met elkaar verbonden geweest. Tot zeer recent ging aan de geboorte van het eerste kind vrijwel altijd de sluiting van een huwelijk vooraf. Ook al is de band tussen vruchtbaarheid en huwelijk de laatste decennia wat losser geworden, nog steeds vindt het merendeel van de geboorten binnen een huwelijk plaats.
In de jaren 1850-2000 zijn er in totaal 9,2 miljoen huwelijken in Nederland gesloten terwijl er 6,2 miljoen zijn ontbonden. Dit betekent dat er, afgezien van de geringe effecten van de buitenlandse migratie, per saldo 3 miljoen echtparen bij zijn gekomen. Ten opzichte van 1850 (0,5 miljoen) is daarmee het aantal echtparen in 2000 (3,5 miljoen) verzevenvoudigd.
Tussen 1850 en 1970 is het jaarlijkse aantal huwelijkssluitingen gestegen van ongeveer 25 duizend tot meer dan 120 duizend. De grootste fluctuaties doen zich voor rond het einde van de beide wereldoorlogen. Na 1970 neemt de populariteit van het huwelijk duidelijk af. Na 1983 - in welk jaar er minder dan 80 duizend huwelijken worden gesloten - treedt een licht herstel op.
Het aantal huwelijksontbindingen vertoont over de hele linie een stijgende tendens, die tot 1920 licht is maar vooral na 1950 sterker wordt. De uitschieters zijn hierbij een gevolg van oorlogsomstandigheden en ook van de verschillende epidemie?n in de tweede helft van de 19e en het begin van de 20e eeuw.
Vooral in de periode 1946-1970 blijft het aantal ontbonden huwelijken ver achter bij het aantal gesloten huwelijken. Daarna verandert dit beeld snel: 1982 is het eerste jaar waarin meer huwelijken worden ontbonden dan gesloten. Sindsdien houden de beide aantallen elkaar min of meer in evenwicht en blijft het aantal echtparen in Nederland op ongeveer hetzelfde niveau.
Tot aan pakweg het begin van de 20e eeuw werden huwelijken bijna uitsluitend ontbonden door het overlijden van ??n van de partners. Pas na die tijd begint echtscheiding geleidelijk een factor van betekenis te worden. Omdat mannen binnen een huwelijk doorgaans wat ouder zijn dan hun echtgenotes en het sterfterisico van mannen groter is dan dat van vrouwen resulteert sterfte binnen een huwelijk vaker in weduwen dan in weduwnaars.
Afgezien van de oorlogspieken is het verschil tussen nieuwe weduwen en nieuwe weduwnaars vooral in de periode 1950- 1970 fors toegenomen. Deze ontwikkeling is het gevolg van het sterk opgelopen verschil in sterfterisico's tussen mannen en vrouwen.
Vanaf 1900 tot aan het midden van de jaren zestig vertoont het jaarlijkse aantal echtscheidingen een regelmatig licht stijgend verloop. Wederom zorgt de Tweede Wereldoorlog voor sterke fluctuaties, met als piekjaar 1946. Na 1965 schiet het aantal echtscheidingen omhoog, mede als gevolg van een wettelijke verruiming in 1971 van de mogelijkheden tot echtscheiding. In 1985 komt een einde aan deze sterke stijging.
Van de trouwgeneigdheid van de Nederlanders kan een goed beeld worden gegeven door de jaarlijkse huwelijkssluiting te koppelen aan het aantal nietgehuwden ouder dan 15 jaar.
Zo bezien blijkt de mate van huwelijkssluiting tot aan de Tweede Wereldoorlog nauwelijks te zijn gestegen, afgezien van de opleving vlak na de Eerste Wereldoorlog. Het einde van de Tweede Wereldoorlog luidt een periode in waarin naar verhouding veel wordt getrouwd. Deze periode eindigt abrupt in 1970, waarna tot 1995 een sterke daling optreedt tot een niveau dat zelfs beneden dat van 1850 ligt. Ongetwijfeld is de opkomst van het niet-gehuwd samenwonen hier in belangrijke mate debet aan. Gedurende de laatste jaren van de 20e eeuw blijft de mate van huwelijkssluiting stabiel.
Op vergelijkbare wijze zijn de verschillende vormen van huwelijksontbinding gerelateerd aan het aantal bestaande huwelijken. De cijfers van huwelijksontbinding door overlijden laten tot voorbij het midden van de 20e eeuw een licht dalend verloop zien. Wederom zorgen de beide wereldoorlogen voor pieken en zijn ook de gevolgen van de epidemische ziektes in het tijdvak 1850-1870 duidelijk zichtbaar.
Na 1950 blijft de huwelijksontbinding door overlijden op eenzelfde niveau, terwijl de huwelijksontbinding door echtscheiding met name gedurende de jaren zeventig sterk is toegenomen. Rond 1850 wordt iets meer dan de helft van de huwelijken door sterfte van de man ontbonden en iets minder dan de helft door sterfte van de vrouw. Echtscheiding komt in die tijd nauwelijks voor. Sindsdien is dit beeld drastisch veranderd. Zo stijgt het aandeel ontbonden huwelijken waarbij de man komt te overlijden regelmatig tot in 1965 een top wordt bereikt van bijna 60 procent. Tegelijkertijd daalt het percentage huwelijken dat door sterfte van de vrouw wordt ontbonden naar een minimum van 17 in 1985. Vooral na 1970 neemt de rol van echtscheiding snel toe tot meer dan 38 procent in 1994. In 2000 bedragen de percentages respectievelijk 44, 19 en 37.
Veranderingen deden zich niet alleen voor in de mate waarin huwelijken gesloten worden, ook het moment in de levensloop waarop dat gebeurde veranderde sterk. In 1860 ligt de gemiddelde leeftijd bij het eerste huwelijk voor mannen op 29,3 jaar en voor vrouwen op 27,6 jaar. Na een aanvankelijk lichte daling, daalt deze leeftijd pas echt sterk na de Tweede Wereldoorlog. Het minimum wordt bereikt in 1970: 24,7 jaar voor mannen en 22,7 jaar voor vrouwen. Daarna is, als gevolg van het uitstel van relatievorming in het algemeen en de opkomst van het vooraf ongehuwd samenwonen in het bijzonder, de leeftijd bij eerste huwelijk fors gestegen. Inmiddels zijn de historische niveaus uit de 19e eeuw ruimschoots overtroffen. Anno 2000 zijn mannen bij het uitspreken van het jawoord gemiddeld 31,0 jaar en vrouwen 28,5 jaar.
Het grootste deel van de in de 19e en 20e eeuw gesloten huwelijken betreft partners die beiden nog niet eerder zijn gehuwd. Wanneer het op hertrouw aankomt zijn mannen ten opzichte van vrouwen in de meerderheid.
Afgezien van de vaak sterke jaarlijkse fluctuaties daalt gedurende de jaren 1850 tot 1910 het percentage van de huwelijken waarbij de man eerder gehuwd is geweest van omstreeks 15 procent tot omstreeks 10 procent. Voor vrouwen doet zich een vergelijkbare daling voor: van circa 10 naar circa 5 procent. Deze daling valt vooral toe te schrijven aan de hogere leeftijd waarop personen in weduwstaat geraken. Immers, hoe hoger die leeftijd hoe lager de kans op hertrouw.
Na een periode van weinig verandering neemt na de Tweede Wereldoorlog, vooral onder de vrouwen (oorlogsweduwen), het percentage tweede huwelijken weer toe. In het midden van de jaren zestig wordt weer het vooroorlogse lage niveau bereikt, zij het dat het verschil tussen mannen en vrouwen duidelijk kleiner is geworden. Als gevolg van de sterk toegenomen echtscheiding is het cijfer anno 2000 hoger dan in de 19e eeuw.
