KNAW

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Integratie asielzoekers gaat langzaam maar gestaag

Een kwestie van tijd?

28 september 2017

Vanaf 2014 heeft Nederland, net als veel andere Europese landen, te maken gehad met een relatief groot aantal asielzoekers. Vooral in 2015, toen de instroom een naoorlogs hoogtepunt bereikte, waren er veel zorgen over de komst van asielzoekers.

[Foto: DenP Images/Flickr]

Het is echter niet de eerste keer dat Nederland op deze schaal te maken kreeg met asielzoekers. Ook in 2de helft van de jaren negentig vestigde zich hier een omvangrijke groep asielmigranten. Hoe verging het hen en hun kinderen in Nederland?

 

MIEKE MALIEPAARD, ARJEN LEERKES & DJAMILA SCHANS

Asielmigranten die zich tussen 1995 en 1999 in Nederland vestigden, zijn hier inmiddels meer dan vijftien jaar woonachtig. Hoe is hun integratie in de Nederlandse samenleving in die tijd verlopen? En hoe staat het er nu voor? Wonen zij überhaupt nog in Nederland? Tussen 1995 en 1999 vestigden zich in totaal bijna 100 duizend asielmigranten in Nederland. Dat waren asielmigranten die zelf naar Nederland kwamen en familieleden die zich binnen een jaar bij hen voegden. Ze kwamen vooral uit Afghanistan, Irak, voormalig Joegoslavië en Somalië. Een derde van deze asielmigranten was ten tijde van de migratie jonger dan 18 jaar, en nog eens een derde tussen de 18 en 30 jaar.

Hoewel de meeste asielmigranten uit de jaren negentig nog altijd in Nederland wonen – op 1 januari 2013 was 61 procent van deze groep hier nog woonachtig – blijkt ongeveer een derde van hen Nederland na verloop van tijd te hebben verlaten (zie de tabel). Sommigen keerden terug naar het land van herkomst, anderen migreerden door naar een ander (Europees) land. Daarnaast zien we een aanzienlijke verhuismobiliteit binnen Nederland; een groot deel van de asielmigranten verlaat uiteindelijk de gemeente waar men in het kader van het spreidingsbeleid terecht was gekomen. Onder de verhuizers is sprake van een trek naar de (Rand)stad. Een ander deel vestigde zich in grensgebieden; vermoedelijk betreft het mensen met familie in Duitsland en/ of België.

Demografische kenmerken van in de periode 1995-1999 naar Nederland gekomen asielmigranten naar
land van herkomstBron: CBS.

 

Voor het onderzoek keken we naar verschillende aspecten van integratie: deelname aan de arbeidsmarkt, schoolpresentaties, contacten van asielmigranten met landgenoten en autochtone Nederlanders en criminaliteit. Het hebben van werk en goede schoolprestaties wordt vooral gezien als indicator voor een goede ‘structurele integratie’, de mate waarin mensen deel gaan uitmaken van instituties van de ontvangende samenleving. Sociale contacten met de dominante groep gelden als indicator voor sociaal-culturele integratie, de mate waarin mensen zich oriënteren op de waarden van de ontvangende samenleving. Een lage mate van criminaliteit wordt doorgaans gezien als een indicator voor een geslaagde structurele en sociaal-culturele integratie. In het onderzoek vergelijken we asielmigranten die tussen 1995 en 1999 hier arriveerden met arbeids- en gezinsmigranten die in dezelfde periode naar Nederland kwamen, en met autochtonen.

Inhaalslag

De arbeidsmarktparticipatie van asielmigranten is in de eerste jaren na migratie zeer laag, niet alleen vergeleken met autochtone Nederlanders, maar ook vergeleken met andere migranten die in dezelfde periode naar Nederland kwamen voor werk of voor gezinsvorming of -hereniging (zie figuur 1). Daarna vindt er echter een inhaalslag plaats. Het verschil met autochtone Nederlanders en de niet-asielmigranten uit dezelfde periode wordt na verloop van tijd steeds kleiner. Toch blijft er een achterstand bestaan, en blijkt dat asielmigranten een grotere kans hebben om hun baan te verliezen dan (vergelijkbare) arbeidsmigranten en autochtonen. Vijftien jaar na aankomst in Nederland heeft 57 procent van de asielmigranten een betaalde baan van meer dan acht uur, tegenover zo’n 80 procent van de autochtone Nederlanders.

Figuur 1. De arbeidsmarktparticipatie van het cohort in de periode 1995-1999 naar Nederland gekomen migranten in de eerste vijftien jaar na migratie*, naar migratiemotief
Figuur 1. De arbeidsmarktparticipatie van het cohort in de periode 1995-1999 naar Nederland gekomen migranten in de eerste vijftien jaar na migratie, naar migratiemotief* Arbeidsmarktparticipatie wordt gedefinieerd als het hebben van een baan van meer dan 8 uur per week. De analyses hebben betrekking op arbeidsmigranten (N=3.289), gezinsmigranten (N=53.182) en asielmigranten (N=33.030) die tussen 1995 en 1999 naar Nederland kwamen, ten minste tot 2011 in Nederland woonden, en op het moment van inschrijving in de GBA tussen 18 en 54 jaar oud waren.
Bron: CBS.

In het onderwijs is de positie van de kinderen van asielmigranten gunstiger. Zij nemen in het derde leerjaar van de middelbare school een middenpositie in tussen (kinderen van) migranten die niet als vluchteling naar Nederland zijn gekomen en autochtone Nederlanders (zie figuur 2). Kinderen van asielmigranten doen iets langer over hun schoolloopbaan dan autochtone kinderen, maar aan de hand van de onderwijspositie op 21-jarige leeftijd valt te verwachten dat het opleidingsniveau van in Nederland geboren kinderen van asielmigranten dat van autochtone Nederlanders zal benaderen. Dit geeft hen een relatief gunstige uitgangspositie voor het betreden de Nederlandse arbeidsmarkt.

Figuur 2. Onderwijsniveau in het derde leerjaar voortgezet onderwijs van kinderen van in de periode 1995- 1999 naar Nederland gekomen asielmigranten, andere migranten en autochtone Nederlanders*
Figuur 2. Onderwijsniveau in het derde leerjaar voortgezet onderwijs van kinderen van in de periode 1995-1999 naar Nederland gekomen asielmigranten, andere migranten en autochtone Nederlanders* De cijfers hebben betrekking op de periode 2003-’04 tot en met 2013-’14. De groep ‘Asiel 95-99’ omvat kinderen van asielmigranten die zich tussen 1995 en 1999 in Nederland vestigden (N=12.797); de groep ‘Gezin/Arbeid 95-99’ omvat kinderen van gezins- en arbeidsmigranten die zich tussen 1995 en 1999 in Nederland vestigden (N=29.888); de groep ‘Overig niet-westers’ omvat kinderen van niet-westerse migranten (zowel asiel- als gezins- en arbeidsmigranten) die voor 1995 en na 1999 naar Nederland zijn gekomen (N=240.761). De groep 'Autochtoon' omvat de autochtone Nederlanders (N=1.578.584).
Bron: CBS.

Iets meer dan de helft van de onderzochte asielmigranten heeft geregeld contact met vrienden en kennissen met een Nederlandse herkomst. Voor degenen die als minderjarige naar Nederland kwamen is dat aandeel met 82 procent aanzienlijk hoger. In vergelijking met de meer ‘gevestigde’ etnische minderheden (Nederlandse Marokkanen, Turken, Surinamers en Antillianen) zijn de asielmigranten uit de jaren negentig wat vaker ‘geïsoleerd’. Maar liefst een kwart heeft geen vrienden of kennissen van autochtone Nederlandse herkomst noch vrienden of kennissen uit de eigen herkomstgroep (er is in het onderzoek niet gevraagd naar eventuele contacten met andere herkomstgroepen). Bij de veertigplussers is dat zelfs 36 procent (zie figuur 3). Onder jongeren speelt dit probleem veel minder. Asielmigranten blijken iets minder vaak te worden verdacht van een misdrijf dan autochtone Nederlanders en aanzienlijk minder vaak dan andere niet-westerse migranten en hun kinderen, wanneer rekening gehouden wordt met onder andere demografische verschillen tussen de groepen. Asielmigranten zijn minder betrokken bij criminaliteit dan verwacht zou worden gezien het relatief grote aantal jonge alleenstaande mannen onder hen.

Figuur 3. Sociale contacten van in de periode 1995-1999 naar Nederland gekomen asielmigranten naar leeftijd, 2009
Figuur 3. Sociale contacten van in de periode 1995-1999 naar Nederland gekomen asielmigranten naar leeftijd, 2009Bron: SING 2009 (SCP).

Wie doen het goed?

Een belangrijk doel bij dit onderzoek naar de integratie van asielmigranten in Nederland was om factoren aan te wijzen die integratie belemmeren of bevorderen. Leeftijd bij migratie blijkt hierbij zeer belangrijk. Asielmigranten die op jongere leeftijd naar Nederland kwamen, hebben meer kans om hun menselijk en sociaal kapitaal te vergroten, bijvoorbeeld door het volgen van onderwijs in Nederland. Hoe jonger vluchtelingen zijn op het moment dat ze naar Nederland komen des te meer kans ze hebben op het vinden van werk en des te meer contacten ze hebben met autochtone Nederlanders. Migranten die op latere leeftijd naar Nederland komen hebben daarentegen minder kans om een baan te vinden en belanden vaker in een sociaal isolement.

Een andere relevante factor is het land van herkomst. Er zijn duidelijke verschillen tussen migrantengroepen. Zo hebben Somalische asielmigranten een aanzienlijke achterstand op de arbeidsmarkt en doen Somalische kinderen het vergeleken met de andere vluchtelingengroepen gemiddeld genomen minder goed in het onderwijs. Iraanse en Afghaanse asielmigranten doen het juist relatief goed op de arbeidsmarkt en in het onderwijs. Dat laatste geldt ook voor asielmigranten uit voormalig Joegoslavië. Mogelijk zijn deze verschillen voor een deel toe te schrijven aan verschillen in de samenstelling van de migrantengroepen – waar vluchtelingen uit Iran bijvoorbeeld veelal hoogopgeleid zijn, heeft een groot deel van de Somalische asielmigranten slechts (enige jaren) basisonderwijs genoten.

Ten slotte zijn er ook enkele in het oog springende sekseverschillen. Mannen blijken mobieler te zijn dan vrouwen. Niet alleen kwamen zij vaker naar Nederland (het cohort asielmigranten 95- 99 bestond voor 62 procent uit mannen), maar zij hebben ook een grotere kans om weer uit Nederland te vertrekken dan vrouwen. Vermoedelijk komt dat doordat vrouwelijke asielmigranten in Nederland vaker in gezinsverband wonen dan mannelijke asielmigranten; in de regel zijn gezinnen minder mobiel dan alleenstaanden. Vrouwelijke asielmigranten zijn sterk ondervertegenwoordigd op de arbeidsmarkt, zowel ten opzichte van mannelijke asielmigranten, als ten opzichte van andere vrouwelijke migranten en autochtone vrouwen. Zij hebben in tijden van economische tegenwind ook een grotere kans ontslagen te worden dan mannen. Vijftien jaar na migratie heeft slechts 45 procent van de vrouwelijke asielmigranten een betaalde baan van meer dan acht uur per week. Ook onderhouden vrouwen minder contacten met autochtonen dan mannen.

De invloed van beleid

Heeft het beleid invloed op het verloop van de integratie? Toen de asielmigranten tussen 1995 en 1999 in Nederland arriveerden waren er tijdens de asielprocedure maar zeer beperkt mogelijkheden voor taallessen, opleidingen en (vrijwilligers) werk, waardoor relatief laat met integreren werd begonnen. Ander onderzoek laat zien dat asielmigranten die langer in onzekerheid zijn geweest over het krijgen van een verblijfsvergunning een slechtere (psychische) gezondheid hebben. Hun arbeidsmarktparticipatie is bovendien lager dan die van asielmigranten die minder lang in de procedure zaten. Ook het spreidingsbeleid van de Nederlandse overheid lijkt door te werken in de integratie van asielmigranten. Elke gemeente moet een aantal asielvergunninghouders opnemen in overeenstemming met het aandeel van de gemeente in de Nederlandse bevolking. Veel asielmigranten komen daardoor terecht in gemeenten waar weinig of geen landgenoten wonen. De kans op sociaal isolement neemt toe omdat de migrant dan sterk is aangewezen op contacten met autochtonen, die niet zonder meer geneigd zijn tot interetnisch contact.

'Het verhaal van de vluchteling'

Hoewel asielmigranten een flinke achterstand hebben op de arbeidsmarkt, vordert hun integratie langzaam maar gestaag. Daarnaast lijkt er onder de in Nederland geboren kinderen van asielzoekers veel economisch potentieel te schuilen, gezien hun schoolprestaties. Al met al vertellen onze bevindingen in een notendop ‘het verhaal van de vluchteling’ zoals dat in de sociologie onder meer is opgetekend door Herbert Gans. De vluchtelingen die het welvarende ‘Mondiale Noorden’ weten te bereiken behoorden in de landen van herkomst veelal tot de hogere klassen of middenklasse. Maar als gevolg van hun (gedwongen) migratie dalen vluchtelingen meestal aanzienlijk op de sociale ladder: het in het herkomstland verworven culturele kapitaal – behaalde opleidingen, talenkennis en andere intellectuele vaardigheden – blijkt in de ‘nieuwe’ samenleving niet of minder waardevol. Het oorspronkelijke sociale netwerk heeft veel van zijn waarde verloren. Als gevolg van deze mechanismen verwerven vluchtelingen doorgaans slechts stapje voor stapje een betere positie. Maar hun kinderen maken vaak een grotere stap. Niet zelden wordt van hen verwacht dat zij de verloren gegane status van de ouders geheel of gedeeltelijk zullen repareren. Voor een groot deel is een succesvolle integratie van asielmigranten, en vooral die van hun kinderen, dus een kwestie van tijd.

Dit artikel is gebaseerd op het WODC-onderzoek: Een kwestie van tijd? De integratie van asielmigranten: een cohortonderzoek (2017).

Mieke Maliepaard, WODC, e-mail: m.i.maliepaard@minvenj.nl
Arjen Leerkes, WODC, e-mail: a.s.leerkes@minjenv.nl
Djamila Schans, WODC, e-mail: j.m.d.schans@minjenv.nl

Literatuur

Bakker, L., J. Dagevos en G. Engbersen (2013),
The importance of resources and security in Socio-Economic Integration of Refugees. Journal of International Migration and Integration, 15 (3), pp. 431-448.
Gans, H. (2009),
First generation decline: downward mobility among refugees and immigrants. Ethnic and Racial Studies, 32 (9), pp. 1658-1670.
Laban, C.J., I.H. Komproe, H.B. Gernaat en J.T. de Jong (2008),
The impact of a long asylum procedure on quality of life, disability and physical health in Iraqi asylum seekers in the Netherlands. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 43 (7), pp. 507-515.
Maliepaard, M., B. Witkamp en R. Jennissen (red.) (2017),
Een kwestie van tijd? De integratie van asielmigranten: een cohortonderzoek. WODC Cahier 2017-3, Den Haag: Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum.
Vogels, R. (2011),
Onderwijspositie. In: E. Dourleijn en J. Dagevos (red.), Vluchtelingengroepen in Nederland: Over de integratie van Afghaanse, Iraakse, Iraanse en Somalische migranten (pp. 81-107). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

 

Artikel

EEN KWESTIE VAN TIJD? DE INTEGRATIE VAN ASIEL-MIGRANTEN: EEN COHORTONDERZOEK



Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken