Geboorte



In de periode 1850-2010 zijn er in totaal in Nederland 28,7 miljoen mensen geboren. Tot aan het begin van de 20ste eeuw neemt het aantal geborenen vrij regelmatig toe, van 105 duizend per jaar tot omstreeks 170 duizend per jaar. Tot aan het einde van de Eerste Wereldoorlog verandert dit niveau nauwelijks. Na de Tweede Wereldoorlog zien veel meer kinderen dan voorheen het levenslicht. Het historische hoogtepunt wordt in 1946 bereikt met 284 duizend. Daarna blijft tot aan het einde van de jaren zestig de geboorte op een hoog niveau. Gedurende de eerste helft van de jaren zeventig komt hier abrupt een einde aan en zakt het aantal geborenen in Nederland terug naar het vooroorlogse peil. Na 1983 treedt enig herstel op waardoor aan het slot van de 20e eeuw de grens van 200 duizend weer wordt doorbroken.

 

Aantal geboorten (levendgeborenen), Nederland, 1850-2050

Aantal geboorten (levendgeborenen), Nederland, 1850-2050

Bron: CBS (Bevolkingsstatistiek & Bevolkingsprognose 2010)

 

De ontwikkeling van het aantal geborenen is sterk afhankelijk van de omvang en de samenstelling van de bevolking. Zo kan bijvoorbeeld een stijging van het aantal geborenen over de tijd samengaan met een hoger gemiddeld kindertal per vrouw, maar dat hoeft niet: het kan ook samengaan met een toenemend aantal vrouwen bij een gelijkblijvend gemiddeld kindertal. Er zijn dan ook andere indicatoren nodig om het "werkelijke" verloop van de geboorte in beeld te brengen.

Het bruto geboortecijfer, dit is het aantal levendgeborenen per 1000 van de bevolking, is de meest simpele maat om te corrigeren voor veranderingen in de bevolkingsomvang. Tot omstreeks 1890 schommelt dit cijfer rond de 35. Daarna volgt een daling tot een niveau van 20 aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. De geboortepiek in 1946 zorgt voor een kortstondige opleving tot boven de 30. De daling van vóór de Tweede Wereldoorlog wordt na 1965 voortgezet en duurt tot rond 1975. Sindsdien is er nauwelijks nog sprake van enige verandering.

 

Geboorten per 1000 inwoners (bruto geboortecijfer) per geslacht, Nederland, 1850-2050

Geboorten per 1000 inwoners (bruto geboortecijfer) per geslacht, Nederland, 1850-2050

Bron: CBS (Bevolkingsstatistiek & Bevolkingsprognose 2010)

 

Een nadeel van het bruto geboortecijfer is, dat het geen rekening houdt met veranderingen in de leeftijdsstructuur van de bevolking. Een maat die dat wèl doet is het gemiddelde kindertal per vrouw. Het gemiddelde kindertal kan op twee manieren worden berekend: per kalenderjaar en per geboortejaar van de vrouw. Vrouwen geboren in 1875 kregen gemiddeld 4 kinderen. Voor vrouwen geboren vóór 1875 ontbreekt deze informatie maar bekend is wel dat in de kalenderjaren 1870-1880 vrouwen gemiddeld meer dan 5 kinderen voortbrachten. Dit gemiddelde kindertal is over de tijd geleidelijk teruggelopen: 2,9 voor vrouwen geboren in 1900, 2,0 voor vrouwen geboren in 1945 en naar verwachting 1,8 voor vrouwen geboren in 1960. Deze laatste waarde ligt ruim beneden het zogenoemde vervangingsniveau van 2,1 kind per vrouw, dat nodig is om de huidige generaties mannen en vrouwen volledig te vervangen. Dit proces van ontgroening is al in de tweede helft van de jaren zestig begonnen.

Het gemiddelde kindertal per kalenderjaar kan soms aanzienlijk van dat per geboortejaar van de vrouw verschillen. Bij wijze van illustratie kan het gemiddelde kindertal voor het kalenderjaar 1946 dienen. Dit aantal, 4 kinderen per vrouw, ligt meer dan één kind boven het gemiddelde kindertal van de vrouwen uit de geboortegeneraties 1915-1925. Het verschil wordt veroorzaakt doordat in 1946 zowel uitgestelde "oorlogskinderen" werden geboren als kinderen die "normaliter" pas in latere jaren zouden zijn geboren.

 

Gemiddeld kindertal per vrouw per kalenderjaar per geslacht, Nederland, 1850-2050

Gemiddeld kindertal per vrouw per kalenderjaar per geslacht, Nederland, 1850-2050

Bron: CBS (Bevolkingsstatistiek & Bevolkingsprognose 2010)

 

Veranderingen in het kindertal per kalenderjaar zijn gepaard gegaan met grote veranderingen in het moment in de levensloop waarop vrouwen hun eerste kind krijgen. Vooral sinds de Tweede Wereldoorlog hebben zich flinke verschuivingen voorgedaan in de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen. Tussen de geboortegeneraties 1920 en 1945 is de gemiddelde leeftijd bij moederschap vrij sterk gedaald, van 27 jaar tot 24,5 jaar. Opeenvolgende generaties kinderen worden daardoor als het ware in de tijd op elkaar gedrukt, waardoor het jaarlijkse aantal geboorten wordt verhoogd. Vanaf geboortegeneratie 1945, of wel vanaf omstreeks het kalenderjaar 1970, is de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen moeder worden juist gaan stijgen, in Nederland zelfs tot wereldrecordhoogte. Opeenvolgende generaties kinderen worden daardoor als het ware over de tijd uitgesmeerd, waardoor het jaarlijkse aantal geboorten juist wordt verlaagd. Vanaf 2000 zijn er echter tekenen dat het einde van de "vruchtbaarheidsveroudering" in Nederland in zicht lijkt.

Een lager aantal kinderen per vrouw vertaalt zich in kleinere gezinnen. Heeft van de in 1935 geboren vrouwen nog bijna 50 procent drie of meer kinderen, voor de in 1975 geboren vrouwen zakt dit aandeel terug naar omstreeks 20 procent. Het percentage vrouwen dat kinderloos blijft, in toenemende mate vrijwillig, loopt daarentegen voor de naoorlogse generaties op van 10 procent naar bijna 20 procent.

Tot ver in het midden van de 20e eeuw was de overheersende norm dat alleen binnen het huwelijk plaats was voor seksuele omgang tussen man en vrouw. Er werden dan ook maar weinig kinderen buiten het huwelijk geboren. Voortplanting was zo nauw aan het huwelijk gekoppeld dat in een groot aantal gevallen al binnen een jaar na het huwelijk een kind ter wereld werd gebracht. Huwelijken zonder kinderen waren daarentegen zeldzaam en werden feitelijk als een afwijking beschouwd. Omdat huwelijk en voortplanting onlosmakelijk met elkaar waren verbonden werd het geboorteniveau van de bevolking in belangrijke mate bepaald door de vraag hoeveel mannen en vrouwen er huwden, op welke leeftijd ze dat deden, en hoe lang die huwelijken duurden. Tot het laatste kwart van de 19e eeuw was de toegang tot het huwelijk tamelijk strikt door ongeschreven regels bepaald (relatief veel mannen en vrouwen bleven ongehuwd en huwelijken werden pas op hoge leeftijd gesloten) maar werd binnen het huwelijk het kindertal niet of nauwelijks beperkt. Vanaf circa 1870 begint zich een nieuw patroon te ontwikkelen, waarin de verhoudingen geleidelijk omgekeerd komen te liggen. Steeds meer mensen treden in het huwelijk en huwelijken worden op steeds jongere leeftijd gesloten, maar tegelijkertijd slaagt men erin om binnen het huwelijk de vruchtbaarheid sterk te beperken. Anticonceptie wordt vanaf het begin van de 20e eeuw steeds gebruikelijker. Deze ontwikkeling gaat door tot in de jaren zestig, de hoogtijdagen van het traditionele huwelijk. Vanaf de jaren zeventig begint een nieuwe ontwikkeling, waarbij als gevolg van uitstel of afstel van het huwelijk een steeds groter deel van de kinderen buiten een huwelijkse relatie ter wereld wordt gebracht.



Wijzigingsdatum: 28-12-2010

Bevolkingsatlas van Nederland

atlas.nidi.nl

Aan de informatie op deze website kunnen geen rechten worden ontleend.
Het NIDI neemt geen verantwoordelijkheid voor de consequenties van het gebruik van de geboden informatie.

© NIDI-KNAW.