Sterfte



Gedurende de jaren 1850-2010 zijn er in Nederland 15,7 miljoen personen overleden. Dit komt neer op een gemiddelde van 98 duizend per jaar. Tot 1880 neemt het jaarlijkse aantal sterfgevallen licht toe, zij het met flinke uitschieters als gevolg van diverse epidemieën, zoals in 1855 cholera, mazelen en tyfus, in 1859 pokken en cholera, in 1866 opnieuw cholera en in 1871 pokken. Deze jaarlijkse uitschieters zijn na 1880 voorbij. Na 1880 treedt tot omstreeks 1925 een daling op. Deze daling wordt overigens abrupt verstoord in 1918, het jaar waarin de Spaanse griep toeslaat. In de Tweede Wereldoorlog leiden de oorlogsomstandigheden, in combinatie met strenge winters, tot een hogere sterfte, met als piek het jaar 1945 (141 duizend). Overigens worden de sterftecijfers uit die tijd onderschat, omdat vele oorlogsslachtoffers, met name de meer dan 100 duizend omgebrachte joden, niet in de Nederlandse sterftestatistiek zijn opgenomen. Na de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog stijgt het jaarlijkse aantal overledenen sterk, uiteraard mede als gevolg van het groeiende aantal inwoners. In 2000 wordt de recordhoogte van 1945 voor het eerst geëvenaard.

 

Aantal overledenen, Nederland, 1850-2050

Aantal overledenen, Nederland, 1850-2050

Bron: CBS (Bevolkingsstatistiek & Bevolkingsprognose 2010)

 

Naarmate de Nederlandse bevolking in omvang toeneemt en een groter deel van de bevolking uit ouderen gaat bestaan neemt het jaarlijkse aantal sterfgevallen toe. Dat hoeft nog niet te betekenen dat Nederlanders een slechtere gezondheid krijgen en een hoger sterfterisico gaan lopen. Dat blijkt al wanneer men het aantal overledenen per 1000 van de bevolking (het bruto sterftecijfer) berekent .

Overledenen per 1000 inwoners (bruto sterftecijfer) per geslacht, Nederland, 1850-2050

Overledenen per 1000 inwoners (bruto sterftecijfer) per geslacht, Nederland, 1850-2050

Bron: CBS (Bevolkingsstatistiek & Bevolkingsprognose 2010)

Tot circa 1880 waren jaarlijkse schommelingen het meest opmerkelijk aan dit cijfer. De onzekerheid die het leven omgaf werd voor een belangrijk deel teweeggebracht door sterfte als gevolg van epidemische ziekten. Na 1880 komt aan die fluctuaties een einde en begint het bruto sterftecijfer, afgezien van de Spaanse griep in 1918 en de Tweede Wereldoorlog, aan een regelmatige daling die voortduurt tot omstreeks 1950. Het niveau bij de mannen ligt daarbij steeds iets boven het niveau bij de vrouwen. In de tweede helft van de 20e eeuw neemt het bruto sterftecijfer voor de mannen eerst iets toe om later weer wat terug te lopen. Voor de vrouwen blijft het niveau tot de jaren tachtig op gelijke hoogte om daarna iets toe te nemen. Uiteindelijk zijn tegen de eeuwwisseling de beide sterftecijfers praktisch gelijk aan elkaar.

Sterftecijfers houden geen rekening met veranderingen in de leeftijdssamenstelling van de bevolking. Om deze reden wordt het verloop van de sterfte vaak weergegeven door middel van de gemiddelde levensduur van de bevolking (ook wel levensverwachting bij de geboorte genoemd: het aantal jaren dat een pasgeborene kan verwachten te leven), waarbij een dergelijke correctie wel plaatsvindt.

Levensverwachting bij geboorte per geslacht, Nederland, 1850-2050

Levensverwachting bij geboorte per geslacht, Nederland, 1850-2050

Bron: CBS - Bevolkingsstatistiek & Bevolkingsprognose 2010)

De levensverwachting bij de geboorte schommelt aanvankelijk van jaar op jaar aanzienlijk maar neemt vanaf het midden van de jaren zeventig van de 19e eeuw bijna zonder onderbreking toe. Vooral na 1900 wordt terreinwinst geboekt. In de jaren vijftig van de 20e eeuw lopen mannen echter een achterstand op ten opzichte van de vrouwen, vooral als gevolg van toenemende sterfteverschillen op hoge leeftijden. Pas sinds kort is een voorzichtige inhaalbeweging zichtbaar.



Wijzigingsdatum: 28-12-2010

Bevolkingsatlas van Nederland

atlas.nidi.nl

Aan de informatie op deze website kunnen geen rechten worden ontleend.
Het NIDI neemt geen verantwoordelijkheid voor de consequenties van het gebruik van de geboden informatie.

© NIDI-KNAW.