DEMOS
=Jaargang 18
=Januari 2002

Nummer  Inhoud


  Vorige artikel Volgende artikel






=Bulletin
=over
=Bevolking
=en
=Samenleving


NIDI

=Een uitgave
=van de
=Stichting
=Nederlands
=Interdisciplinair
=Demografisch
=Instituut



E-mail: demos@nidi.nl


ISSN 0169-1473
Indische Nederlanders
Een demografische reconstructie ten behoeve van ‘Het Gebaar’

EVELIEN WALHOUT, GIJS BEETS EN SANTO KOESOEBJONO

Nederland wil Indische Nederlanders tegemoetkomen voor mogelijke tekortkomingen na de Tweede Wereldoorlog. Om dat te regelen is de Stichting Het Gebaar opgericht. Het NIDI kreeg opdracht om te berekenen hoeveel mensen voor compensatie in aanmerking kunnen komen. Omdat dat aantal niet uit bestaande gegevens valt af te leiden moest de bevolkingsontwikkeling vanaf 1930 (Volkstelling in Nederlands Indië) worden gereconstrueerd. Uiteindelijk kwam het NIDI uit op een geschat aantal belanghebbenden van 115 duizend. Begin januari 2002 waren er ruim 75 duizend verzoeken ingediend. 

De Nederlandse regering wil de Nederlands-Indische gemeenschap tegemoetkomen ter compensatie van het ‘kille, bureaucratische en formalistische’ naoorlogse regeringsbeleid en van de vermoedelijke tekortkomingen in het naoorlogs Indisch rechtsherstel. Voor de afhandeling werd door de Minister van VWS eind 2001 de Stichting Het Gebaar in het leven geroepen. Om meer zekerheid te krijgen over het te verwachten aantal verzoeken werd het NIDI door het ministerie van VWS gevraagd om de omvang te schatten van de doelgroep die voor een dergelijke tegemoetkoming in aanmerking komt. Omdat geen gegevensbestand beschikbaar is waaruit het antwoord op deze vraag eenvoudig is af te lezen, is de demografische geschiedenis van de Indische Nederlanders in de afgelopen eeuw gereconstrueerd. 

Voor de exacte doelgroepomschrijving wordt verwezen naar het kader (zie ook  www.gebaar.nl).

Ten behoeve van de reconstructie van de doelgroep werden twee bevolkingsgroepen onderscheiden:

  • mensen die tijdens de Japanse bezetting ‘Nederlander’ waren, uitgezonderd zij die nadien nadrukkelijk voor het Indonesisch staatsburgerschap kozen;
  • mensen die toen geen ‘Nederlander’ waren, maar dat nadien zijn geworden door naar Nederland te emigreren en hier uiterlijk 1 januari 1967 de Nederlandse nationaliteit aan te vragen.
Om de omvang van beide groepen te kunnen berekenen is de bevolking onderscheiden naar geslacht en leeftijd in jaren. Voor iedere combinatie van geslacht en leeftijd wordt de bevolking aan het begin van het jaar omgerekend in een bevolking aan het eind van het jaar door rekening te houden met alle geslachts- en leeftijdsspecifieke bevolkingsveranderingen zoals geboorte, sterfte en migratie.

De belangrijkste gegevensbron was de Nederlands-Indische volkstelling van 1930 met daarin de laatst beschikbare vooroorlogse gegevens naar leeftijd en geslacht. Daarnaast werd het  Koloniaal en Indisch Verslag geraadpleegd: statistische jaaroverzichten (tot 1940) over de bevolking in het voormalig Nederlands-Indië. Na 1940 zijn nauwelijks meer bevolkingsstatistische bronnen beschikbaar. Er zijn alleen gegevens bekend over de migratie tussen Nederlands-Indië en Nederland. Wat betreft de ontbrekende componenten moesten veronderstellingen worden gemaakt. Dit is gedaan op basis van (wetenschappelijke) literatuur en contacten met deskundigen.

DOELGROEPOMSCHRIJVING

Voor Het Gebaar komen degenen in aanmerking die:

    in de periode van 8 maart 1942 tot 15 augustus 1945 geheel of gedeeltelijk
    1. in het voormalig Nederlands-Indië hebben verbleven; en/of
    2. gedurende deze periode door de Japanners elders zijn geïnterneerd en/of tewerkgesteld;
        en voorts
      • zich nadien en uiterlijk op 1 januari 1967 in Nederland hebben gevestigd;
        en voorts
      • ten tijde van zijn of haar vestiging in Nederland of in ieder geval op 1 januari 1967 de Nederlandse nationaliteit bezaten, dan wel voor 1 januari 1967 een aanvraag voor het Nederlanderschap hebben gedaan, welke aanvraag na die datum tot toekenning van het Nederlanderschap heeft geleid.
    3. met betrekking tot de hiervoor genoemde eisen van het Nederlanderschap, worden de personen die genoemd staan in de Wet betreffende de positie van Molukkers (Stb. 1976, 468) onder artikelen 1, eerste lid, 2 en 3 eerste lid, gelijk gesteld met iemand die de Nederlandse nationaliteit had op 1 januari 1967, met dien verstande dat:
      • de eis dat de betrokkene ten tijde van inwerkingtreding van deze wet in Nederland woonplaats of werkelijk verblijf had, niet geldt;
      • het beschikken over een verklaring  van de Minister van Justitie als bedoeld in art. 3, eerste lid, van deze wet, niet is vereist.

Bovendien komen in aanmerking degenen die:

    In de periode van 8 maart 1942 tot 15 augustus 1945 geheel of gedeeltelijk
    1. in het voormalig Nederlands-Indië hebben verbleven; en/of
    2. gedurende deze periode door de Japanners elders zijn geïnterneerd en/of  tewerkgesteld;
        en die
      • nadien naar elders* zijn geëmigreerd;
        en die
      • op moment van emigratie de Nederlandse nationaliteit bezaten.

Erfgenamen van de belanghebbende komen in aanmerking voor de gelden van de belanghebbende als de belanghebbende is overleden na 11 december 2000.

* met elders wordt bedoeld een ander land dan Nederlands-Indië of Indonesië.

Van een uitkering zijn uitgesloten degenen die in de periode 8 maart 1942 tot 15 augustus 1945 de Japanse nationaliteit hebben bezeten en/of zij die door de Nederlandse rechter wegens collaboratie met de Japanse bezetter zijn veroordeeld.

Indië en Nederland

Al sinds 1600 is er regelmatig verkeer van mensen en goederen tussen Nederland en de Indische archipel. De Nederlanders die naar de kolonie trokken waren voornamelijk ongehuwde mannen en velen van hen gingen verbintenissen aan of leefden in concubinaat met Indische vrouwen. Vaak verbleven zij maar tijdelijk in de archipel met als enig doel om er carrière te maken. Ze werden aangeduid als trekkers. Het verblijf van hun afstammelingen was vaak blijvend van aard (blijvers). Door de menghuwelijken ontstond een heterogene bevolkingsgroep van Europese en gemengd Europees-Indische afkomst. De Nederlanders van gemengd Europees-Indische afkomst en de ‘volbloed’ Nederlanders, geboren in Europa, vormen samen de groep Indische Nederlanders.

Eind 19e eeuw nam het aantal Europeanen dat richting de archipel trok sterk toe. Door onder meer verbeterde reisomstandigheden waren onder hen steeds meer vrouwen. Gevolg was dat het aantal huwelijken tussen Europese partners toenam en dat de vestiging begin 20ste eeuw meer en meer een blijvend karakter kreeg. Veel van de kinderen van de trekkers en blijvers verbleven op jonge leeftijd (12-23 jaar) een periode in Nederland om daar naar school te gaan en een universitaire opleiding te volgen. Vervolgens keerden zij weer terug naar Indië om daar te gaan werken en carrière te maken. Op oudere leeftijd reisde men vaak weer naar het moederland om aldaar de oude dag door te brengen. Dit specifieke migratiepatroon werd uiteindelijk verstoord door de Tweede Wereldoorlog met de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en de vele ontberingen die dat met zich meebracht (onder andere interneringen in krijgsgevangen- en burgerkampen). Na de onafhankelijkheid van Indonesië was sprake van een algehele uittocht.

Vooroorlogse ontwikkeling

In de volkstelling van 1930 worden de Nederlanders niet als aparte groep onderscheiden, maar bij de groep Europeanen ondergebracht. Tot 1946 omvat de reconstructie daarom de hele groep Europeanen, waartoe in ruime zin alle westerlingen, ook Amerikanen en buitenlanders die in Indië op voet van gelijkheid met Europeanen werden behandeld (zoals Japanners) en de met Europeanen gelijkgestelde Inlanders en Vreemde Oosterlingen (voornamelijk Chinezen), werden gerekend.

In 1930 telde Nederlands-Indië 61 miljoen mensen onder wie circa 243 duizend Europeanen. Figuur 1 laat de leeftijdsopbouw van de Europese bevolkingsgroep in 1930 zien. Opvallend is het relatief geringe aandeel van de leeftijdsgroepen tussen 10 en 25 jaar. Dat komt doordat veel kinderen van Europeanen immers middelbaar en hoger onderwijs in Nederland volgden.

Europese bevolking in 
Nederlands Indië, 7 oktober 1930

De migratie tussen Nederlands-Indië en Europa was daarmee in die tijd sterk leeftijdsspecifiek (figuur 2): richting Europa rond het einde van de lagere school, richting Indië bij het begin van de arbeidscarrière, en opnieuw naar Europa bij pensionering. Zelfs bij een relatief gering migratiesaldo had migratie hierdoor een fors effect op de leeftijdsstructuur van de Europese bevolking in Nederlands-Indië.

Migratieprofielen voor de 
Europese bevolking in Nederlands Indië

De ontwikkeling van de Europese bevolking in Nederlands-Indië werd niet alleen bepaald door geboorte, sterfte en migratie, maar ook door erkenningen, gelijkstellingen en huwelijksoverschotten.

  • Iemand kon tot de groep Europeanen worden toegelaten door erkenning: indien een man het kind van een vrouw uit een andere bevolkingsgroep als het zijne erkende, ging dit kind naar de groep van de vader over. 
  • Gelijkstelling met Europeanen kon worden aangevraagd door Inlanders, Chinezen en andere Vreemde Oosterlingen. Zij deden dit om dezelfde rechtspositie als Europeanen te verkrijgen, bijvoorbeeld met het oog op het drijven van handel of toegang tot bepaalde Europese scholen. 
  • De vrouw kreeg de status van haar echtgenoot. Het huwelijksoverschot betreft het verschil tussen het aantal vrouwen dat als gevolg van een huwelijk met een Europese man tot de Europese bevolkingsgroep gaat behoren en het aantal vrouwen dat door een huwelijk met een niet-Europeaan de Europese bevolkingsgroep verlaat. 

Voor de vooroorlogse periode zijn de gegevens over deze componenten van de bevolkingsgroei verkregen uit het Koloniaal en Indisch Verslag. De migratiecijfers komen via het Centraal Bureau voor de Statistiek. De verdeling naar leeftijd en geslacht was echter niet altijd bekend.

De berekeningen wijzen uit dat het aantal Europeanen in Indië tussen 1930 en 1942 groeide van 243 naar 305 duizend personen.

De oorlogsperiode 

In de maanden volgend op de Japanse aanval op de Amerikaanse vloot bij Pearl Harbor, op 7 december 1941, veroverde Japan de meeste landen in Zuidoost-Azië, zo ook Nederlands-Indië. Omdat Japan als doel had de westerse invloed in Azië te elimineren, werden de vijandige Europeanen overal in de archipel vrijwel onmiddellijk geïnterneerd. Bijna alle aanwezige militairen werden krijgsgevangen genomen en tewerkgesteld. De staatsburgers van geallieerde of andere westerse landen werden geïnterneerd in burgerkampen. De meeste Indo-Europeanen bleef dat echter bespaard. Zij bleven buiten de kampen (buitenkampers). Indo-Europeanen die wel werden geïnterneerd, overkwam dat vooral gedurende de laatste bezettingsjaren 1944 en 1945.

Voor de periode 1942-1945 zijn nauwelijks demografische gegevens bekend. Wel is uit diverse bronnen het, vaak geschatte, aantal krijgsgevangenen, burgergeïnterneerden en mensen die buiten de kampen zijn gebleven, bekend. Voor ieder van die drie categorieën zijn afzonderlijke veronderstellingen gemaakt wat betreft de verdeling naar leeftijd en geslacht en de veranderingen in de bevolkingsaantallen door sterfte en geboorte. De Europese bevolking, exclusief Duitsers, Japanners en Italianen, kon op grond van deze kennis in 1942 worden gesplitst in naar schatting 42 duizend krijgsgevangenen, 80 duizend burgergeïnterneerden en 172 duizend buitenkampers.

Aan het eind van de oorlog waren er volgens de berekeningen nog 283 duizend Europeanen, te weten 34 duizend krijgsgevangenen, 73 duizend burgergeïnterneerden en 176 duizend buitenkampers. Dat het aantal buitenkampers was toegenomen, komt doordat er nog gewoon kinderen werden geboren. Hun levensomstandigheden waren waarschijnlijk vergelijkbaar met die van de inlandse bevolking. De geboortecijfers waren uiteraard lager, maar vanwege de leeftijdsopbouw met relatief veel vrouwen in de vruchtbare levensfase overtrof het aantal geborenen het aantal overledenen.

Na de oorlog

Voor zover ze op 11 december 2000 nog in leven waren komen de genoemde 283 duizend Europeanen in aanmerking voor een tegemoetkoming als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen. Dat doen alle Nederlanders onder hen, met uitzondering van diegenen die voor het Indonesisch staatsburgerschap kozen. Dat doen ook de niet-Nederlanders als ze nadien Nederlander werden, door te emigreren en vóór 1967 het Nederlands staatsburgerschap aan te vragen. De huidige woonplaats doet er niet toe.

Nederlanders

Van de Europeanen had, zo wordt verondersteld, 92 procent (260 duizend mensen) eind 1945 de Nederlandse nationaliteit. Dat percentage is gebaseerd op het aantal Nederlanders in de Europese bevolking in de volkstelling van 1930 en op de (deels veronderstelde) ontwikkelingen in de daaropvolgende periode. Van deze Nederlanders bleven na 1949 ongeveer 6 duizend in Indonesië wonen. Zij migreerden nimmer naar Nederland of naar elders. We gaan ervan uit dat zij allen voor het Indonesisch staatsburgerschap kozen.

De overige 254 duizend kwamen of naar Nederland (als repatriant dan wel voor het eerst, inclusief spijtoptanten) of migreerden naar bijvoorbeeld Australië of de Verenigde Staten zonder in Nederland te zijn geweest.

Bij de berekeningen is rekening gehouden met naar schatting ongeveer 3,5 duizend extra overledenen als gevolg van de terreur tijdens de zogenoemde bersiap-periode (zie kader).

BERSIAP

De eerste maanden na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 vormden een uiterst chaotische periode. In veel kampen drong de boodschap van de bevrijding pas laat door en vervolgens konden de ex-geïnterneerden niet zomaar de kampen verlaten. De oorzaak hiervan lag in het uitroepen van de Indonesische Republiek op 17 augustus 1945 waarna extreem nationalistische jongeren hun militante activiteiten begonnen. Daarbij liepen zowel blanke Nederlanders als gemengdbloedigen, van wie de meesten de bezetting buiten de kampen hadden meegemaakt, maar ook andere Nederlandsgezinden gevaar. Omdat zij door de nationalisten werden geassocieerd met het oude koloniale regime, waren zij hun leven niet zeker. Op veel plaatsten werd het levensgevaarlijk om de kampen te verlaten en zij die dit wel deden, werden vermoord of opnieuw gevangen genomen, maar nu in Indonesische kampen. Deze periode van terreur die duurde tot begin 1946 wordt aangeduid met de term bersiap (‘wees paraat’) en wordt gezien als de meest militante fase van de Indonesische revolutie. Vooral op Java werden enige duizenden Indische Nederlanders gedood.

Niet-Nederlanders 

De tweede groep bestaat uit andere Europeanen, Vreemde Oosterlingen en Inlanders die ten tijde van de Japanse bezetting in Nederlands-Indië waren en nadien Nederlander zijn geworden door te emigreren en vóór 1967 het Nederlands staatsburgerschap aan te vragen. Ook zij kunnen thans ergens anders wonen.

Het jaarlijkse aantal naturalisaties is bij het CBS bekend. Aangenomen mag worden dat 23 duizend (vóór of tijdens de oorlog geboren) personen in de periode 1946-1967 de Nederlandse nationaliteit hebben gekregen dan wel aangevraagd.

Uitkomsten

In 1968 waren er volgens de berekeningen 231 duizend Indische Nederlanders van 22 jaar of ouder, dat wil zeggen oud genoeg om de oorlog in Indië te hebben meegemaakt. Voor het demografische verloop van de berekening van de groep Nederlanders die in 2001 nog in leven is, is ten aanzien van de sterfte verondersteld dat deze vanaf 1956 dezelfde was als van de totale bevolking in Nederland (zie kader 'onzekerheid'). Tussen 1946 en 1956 is een hogere sterfte dan die in Nederland verondersteld omdat ook de vooroorlogse sterfte in Nederlands-Indië ongunstiger was dan die van Nederland.

In 2001 kwamen nog 115 duizend Indische Nederlanders in aanmerking voor Het Gebaar (zie kader 'CBS-berekeningen). Zij waren allen 55 jaar of ouder.

ONZEKERHEID

Omdat er een aantal veronderstellingen is gemaakt waarover enige onzekerheid bestaat, is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd met alternatieve berekeningen. Onzekerheid bestond onder andere over de veronderstellingen ten aanzien van de berekende bevolkingsomvang aan het begin van de oorlog en de omvang van de sterfte gedurende de Japanse bezetting. Indien bijvoorbeeld de sterftecijfers tijdens de oorlog 50 procent hoger waren geweest dan zou in 2001 de omvang van de doelgroep 2,5 procent lager zijn uitgekomen (112 duizend). Tezamen met de andere onzekere veronderstellingen mag worden aangenomen dat er een maximale onzekerheidsmarge van acht procent bestaat rond de centrale doelgroepschatting van 115 duizend belanghebbenden, wat neerkomt op een marge van plus of min 10 duizend mensen.

CBS-BEREKENINGEN

Op basis van de Gemeentelijke Basis Administratie heeft het CBS een berekening gemaakt van het aantal op 1 januari 2001 nog in leven zijnde personen woonachtig in Nederland, geboren in Nederlands-Indië vóór 1 januari 1946 en naar jaar van vestiging in Nederland (tussen 1945 en 1967). Bovendien kon worden geschat hoeveel in Nederland geboren personen na de oorlog uit Nederlands-Indië terugkeerden (de echte repatrianten). Volgens deze criteria waren er op 1 januari 2001 in Nederland 87 duizend personen die dus hoogstwaarschijnlijk de oorlog in het voormalig Nederlands-Indië hebben meegemaakt en tussen 1946 en 1967 naar Nederland zijn gemigreerd. Het is niet meer dan logisch dat dit aantal lager uitkomt dan bij de methode die bij de reconstructie werd gebruikt. Het verschil kan worden geïnterpreteerd als een indicatie van het aantal Indische Nederlanders dat wel de oorlog in Nederlands-Indië meemaakte maar thans niet in Nederland woont, dat wil zeggen 28 duizend.

Dit artikel is gebaseerd op een reconstructie van de omvang van de doelgroep van ‘Het Gebaar’ uitgevoerd door een team van NIDI-medewerkers: Gijs Beets, Corina Huisman, Evert van Imhoff, Santo Koesoebjono, Frans van Poppel en Evelien Walhout. In de loop van 2002 zal een afzonderlijk NIDI-rapport verschijnen waarin een  overzicht wordt gegeven van de totale omvang van de groep Indische Nederlanders anno 2002, dat wil zeggen inclusief de naoorlogse geboortegeneraties.

Drs. E.C. Walhout, drs. G.C.N. Beets en drs. H.S.I. Koesoebjono, NIDI


terug naar : INHOUD | REACTIES : demos@nidi.nl


Organization Netherlands Interdisciplinary Demographic Institute

P.O. Box 11650
2502 AR The Hague
The Netherlands

E-mail: info@nidi.nl
NIDI

========

Comments to: webmaster@nidi.nl

Copyright © 2002, NIDI, Netherlands Interdisciplinary Demographic Institute.
Last revision: 5 February 2002.