|
Inhoud
![]()
E-mail: demos@nidi.nl ISSN 0169-1473 |
Indische Nederlanders
Een demografische reconstructie ten behoeve van ‘Het Gebaar’
EVELIEN WALHOUT, GIJS BEETS EN SANTO KOESOEBJONO
Nederland wil Indische Nederlanders tegemoetkomen voor mogelijke tekortkomingen na de Tweede Wereldoorlog. Om dat te regelen is de Stichting Het Gebaar opgericht. Het NIDI kreeg opdracht om te berekenen hoeveel mensen voor compensatie in aanmerking kunnen komen. Omdat dat aantal niet uit bestaande gegevens valt af te leiden moest de bevolkingsontwikkeling vanaf 1930 (Volkstelling in Nederlands Indië) worden gereconstrueerd. Uiteindelijk kwam het NIDI uit op een geschat aantal belanghebbenden van 115 duizend. Begin januari 2002 waren er ruim 75 duizend verzoeken ingediend. De Nederlandse regering wil de Nederlands-Indische gemeenschap tegemoetkomen ter compensatie van het ‘kille, bureaucratische en formalistische’ naoorlogse regeringsbeleid en van de vermoedelijke tekortkomingen in het naoorlogs Indisch rechtsherstel. Voor de afhandeling werd door de Minister van VWS eind 2001 de Stichting Het Gebaar in het leven geroepen. Om meer zekerheid te krijgen over het te verwachten aantal verzoeken werd het NIDI door het ministerie van VWS gevraagd om de omvang te schatten van de doelgroep die voor een dergelijke tegemoetkoming in aanmerking komt. Omdat geen gegevensbestand beschikbaar is waaruit het antwoord op deze vraag eenvoudig is af te lezen, is de demografische geschiedenis van de Indische Nederlanders in de afgelopen eeuw gereconstrueerd. Voor de exacte doelgroepomschrijving wordt verwezen naar het kader (zie ook www.gebaar.nl). Ten behoeve van de reconstructie van de doelgroep werden twee bevolkingsgroepen onderscheiden:
De belangrijkste gegevensbron was de Nederlands-Indische volkstelling van 1930 met daarin de laatst beschikbare vooroorlogse gegevens naar leeftijd en geslacht. Daarnaast werd het Koloniaal en Indisch Verslag geraadpleegd: statistische jaaroverzichten (tot 1940) over de bevolking in het voormalig Nederlands-Indië. Na 1940 zijn nauwelijks meer bevolkingsstatistische bronnen beschikbaar. Er zijn alleen gegevens bekend over de migratie tussen Nederlands-Indië en Nederland. Wat betreft de ontbrekende componenten moesten veronderstellingen worden gemaakt. Dit is gedaan op basis van (wetenschappelijke) literatuur en contacten met deskundigen. Indië en Nederland Al sinds 1600 is er regelmatig verkeer van mensen en goederen tussen Nederland en de Indische archipel. De Nederlanders die naar de kolonie trokken waren voornamelijk ongehuwde mannen en velen van hen gingen verbintenissen aan of leefden in concubinaat met Indische vrouwen. Vaak verbleven zij maar tijdelijk in de archipel met als enig doel om er carrière te maken. Ze werden aangeduid als trekkers. Het verblijf van hun afstammelingen was vaak blijvend van aard (blijvers). Door de menghuwelijken ontstond een heterogene bevolkingsgroep van Europese en gemengd Europees-Indische afkomst. De Nederlanders van gemengd Europees-Indische afkomst en de ‘volbloed’ Nederlanders, geboren in Europa, vormen samen de groep Indische Nederlanders. Eind 19e eeuw nam het aantal Europeanen dat richting de archipel trok sterk toe. Door onder meer verbeterde reisomstandigheden waren onder hen steeds meer vrouwen. Gevolg was dat het aantal huwelijken tussen Europese partners toenam en dat de vestiging begin 20ste eeuw meer en meer een blijvend karakter kreeg. Veel van de kinderen van de trekkers en blijvers verbleven op jonge leeftijd (12-23 jaar) een periode in Nederland om daar naar school te gaan en een universitaire opleiding te volgen. Vervolgens keerden zij weer terug naar Indië om daar te gaan werken en carrière te maken. Op oudere leeftijd reisde men vaak weer naar het moederland om aldaar de oude dag door te brengen. Dit specifieke migratiepatroon werd uiteindelijk verstoord door de Tweede Wereldoorlog met de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en de vele ontberingen die dat met zich meebracht (onder andere interneringen in krijgsgevangen- en burgerkampen). Na de onafhankelijkheid van Indonesië was sprake van een algehele uittocht. Vooroorlogse ontwikkeling In de volkstelling van 1930 worden de Nederlanders niet als aparte groep onderscheiden, maar bij de groep Europeanen ondergebracht. Tot 1946 omvat de reconstructie daarom de hele groep Europeanen, waartoe in ruime zin alle westerlingen, ook Amerikanen en buitenlanders die in Indië op voet van gelijkheid met Europeanen werden behandeld (zoals Japanners) en de met Europeanen gelijkgestelde Inlanders en Vreemde Oosterlingen (voornamelijk Chinezen), werden gerekend. In 1930 telde Nederlands-Indië 61 miljoen mensen onder wie circa 243 duizend Europeanen. Figuur 1 laat de leeftijdsopbouw van de Europese bevolkingsgroep in 1930 zien. Opvallend is het relatief geringe aandeel van de leeftijdsgroepen tussen 10 en 25 jaar. Dat komt doordat veel kinderen van Europeanen immers middelbaar en hoger onderwijs in Nederland volgden. ![]() De migratie tussen Nederlands-Indië en Europa was daarmee in die tijd sterk leeftijdsspecifiek (figuur 2): richting Europa rond het einde van de lagere school, richting Indië bij het begin van de arbeidscarrière, en opnieuw naar Europa bij pensionering. Zelfs bij een relatief gering migratiesaldo had migratie hierdoor een fors effect op de leeftijdsstructuur van de Europese bevolking in Nederlands-Indië. ![]() De ontwikkeling van de Europese bevolking in Nederlands-Indië werd niet alleen bepaald door geboorte, sterfte en migratie, maar ook door erkenningen, gelijkstellingen en huwelijksoverschotten.
Voor de vooroorlogse periode zijn de gegevens over deze componenten van de bevolkingsgroei verkregen uit het Koloniaal en Indisch Verslag. De migratiecijfers komen via het Centraal Bureau voor de Statistiek. De verdeling naar leeftijd en geslacht was echter niet altijd bekend. De berekeningen wijzen uit dat het aantal Europeanen in Indië tussen 1930 en 1942 groeide van 243 naar 305 duizend personen. De oorlogsperiode In de maanden volgend op de Japanse aanval op de Amerikaanse vloot bij Pearl Harbor, op 7 december 1941, veroverde Japan de meeste landen in Zuidoost-Azië, zo ook Nederlands-Indië. Omdat Japan als doel had de westerse invloed in Azië te elimineren, werden de vijandige Europeanen overal in de archipel vrijwel onmiddellijk geïnterneerd. Bijna alle aanwezige militairen werden krijgsgevangen genomen en tewerkgesteld. De staatsburgers van geallieerde of andere westerse landen werden geïnterneerd in burgerkampen. De meeste Indo-Europeanen bleef dat echter bespaard. Zij bleven buiten de kampen (buitenkampers). Indo-Europeanen die wel werden geïnterneerd, overkwam dat vooral gedurende de laatste bezettingsjaren 1944 en 1945. Voor de periode 1942-1945 zijn nauwelijks demografische gegevens bekend. Wel is uit diverse bronnen het, vaak geschatte, aantal krijgsgevangenen, burgergeïnterneerden en mensen die buiten de kampen zijn gebleven, bekend. Voor ieder van die drie categorieën zijn afzonderlijke veronderstellingen gemaakt wat betreft de verdeling naar leeftijd en geslacht en de veranderingen in de bevolkingsaantallen door sterfte en geboorte. De Europese bevolking, exclusief Duitsers, Japanners en Italianen, kon op grond van deze kennis in 1942 worden gesplitst in naar schatting 42 duizend krijgsgevangenen, 80 duizend burgergeïnterneerden en 172 duizend buitenkampers. Aan het eind van de oorlog waren er volgens de berekeningen nog 283 duizend Europeanen, te weten 34 duizend krijgsgevangenen, 73 duizend burgergeïnterneerden en 176 duizend buitenkampers. Dat het aantal buitenkampers was toegenomen, komt doordat er nog gewoon kinderen werden geboren. Hun levensomstandigheden waren waarschijnlijk vergelijkbaar met die van de inlandse bevolking. De geboortecijfers waren uiteraard lager, maar vanwege de leeftijdsopbouw met relatief veel vrouwen in de vruchtbare levensfase overtrof het aantal geborenen het aantal overledenen. Na de oorlog Voor zover ze op 11 december 2000 nog in leven waren komen de genoemde 283 duizend Europeanen in aanmerking voor een tegemoetkoming als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen. Dat doen alle Nederlanders onder hen, met uitzondering van diegenen die voor het Indonesisch staatsburgerschap kozen. Dat doen ook de niet-Nederlanders als ze nadien Nederlander werden, door te emigreren en vóór 1967 het Nederlands staatsburgerschap aan te vragen. De huidige woonplaats doet er niet toe. Nederlanders Van de Europeanen had, zo wordt verondersteld, 92 procent (260 duizend mensen) eind 1945 de Nederlandse nationaliteit. Dat percentage is gebaseerd op het aantal Nederlanders in de Europese bevolking in de volkstelling van 1930 en op de (deels veronderstelde) ontwikkelingen in de daaropvolgende periode. Van deze Nederlanders bleven na 1949 ongeveer 6 duizend in Indonesië wonen. Zij migreerden nimmer naar Nederland of naar elders. We gaan ervan uit dat zij allen voor het Indonesisch staatsburgerschap kozen. De overige 254 duizend kwamen of naar Nederland (als repatriant dan wel voor het eerst, inclusief spijtoptanten) of migreerden naar bijvoorbeeld Australië of de Verenigde Staten zonder in Nederland te zijn geweest. Bij de berekeningen is rekening gehouden met naar schatting ongeveer 3,5 duizend extra overledenen als gevolg van de terreur tijdens de zogenoemde bersiap-periode (zie kader). Niet-Nederlanders De tweede groep bestaat uit andere Europeanen, Vreemde Oosterlingen en Inlanders die ten tijde van de Japanse bezetting in Nederlands-Indië waren en nadien Nederlander zijn geworden door te emigreren en vóór 1967 het Nederlands staatsburgerschap aan te vragen. Ook zij kunnen thans ergens anders wonen. Het jaarlijkse aantal naturalisaties is bij het CBS bekend. Aangenomen mag worden dat 23 duizend (vóór of tijdens de oorlog geboren) personen in de periode 1946-1967 de Nederlandse nationaliteit hebben gekregen dan wel aangevraagd. Uitkomsten In 1968 waren er volgens de berekeningen 231 duizend Indische Nederlanders van 22 jaar of ouder, dat wil zeggen oud genoeg om de oorlog in Indië te hebben meegemaakt. Voor het demografische verloop van de berekening van de groep Nederlanders die in 2001 nog in leven is, is ten aanzien van de sterfte verondersteld dat deze vanaf 1956 dezelfde was als van de totale bevolking in Nederland (zie kader 'onzekerheid'). Tussen 1946 en 1956 is een hogere sterfte dan die in Nederland verondersteld omdat ook de vooroorlogse sterfte in Nederlands-Indië ongunstiger was dan die van Nederland. In 2001 kwamen nog 115 duizend Indische Nederlanders in aanmerking voor Het Gebaar (zie kader 'CBS-berekeningen). Zij waren allen 55 jaar of ouder. Dit artikel is gebaseerd op een reconstructie van de omvang van de doelgroep van ‘Het Gebaar’ uitgevoerd door een team van NIDI-medewerkers: Gijs Beets, Corina Huisman, Evert van Imhoff, Santo Koesoebjono, Frans van Poppel en Evelien Walhout. In de loop van 2002 zal een afzonderlijk NIDI-rapport verschijnen waarin een overzicht wordt gegeven van de totale omvang van de groep Indische Nederlanders anno 2002, dat wil zeggen inclusief de naoorlogse geboortegeneraties. Drs. E.C. Walhout, drs. G.C.N. Beets en drs. H.S.I. Koesoebjono, NIDI |
![]() |
Netherlands Interdisciplinary Demographic
Institute P.O. Box 11650 2502 AR The Hague The Netherlands E-mail: info@nidi.nl |
![]() |
![]()
Comments to: webmaster@nidi.nl
Copyright © 2002, NIDI, Netherlands Interdisciplinary Demographic
Institute.
Last revision: 5 February 2002.