|
Inhoud
![]()
E-mail: demos@nidi.nl ISSN 0169-1473 |
Steeds meer asielverzoeken afgewezen
Vlucht in illegaliteit neemt naar verwachting toe
ROB VAN DER ERF
Er worden in Nederland steeds meer verzoeken om asiel afgewezen, ook na een vervolgprocedure. Wel verschilt het percentage afwijzingen per land van herkomst. Dat blijkt uit recente cijfers van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) en aanvullende schattingen van het NIDI. Veel van de uitgeprocedeerde asielzoekers komen naar verwachting in het illegale circuit terecht, in Nederland of daarbuiten. De kansen voor illegalen om een redelijk bestaan op te bouwen lijken vooral in Zuid Europa groter dan hier. Het percentage asielverzoeken dat in Nederland wordt afgewezen, neemt sterk toe. Dat kan, zij het onder enig voorbehoud, worden geconcludeerd uit recent door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) beschikbaar gestelde cijfers. Het betreft hier gegevens over de afhandeling van asielprocedures naar jaar van aanmelding. Bedroeg het percentage verzoeken dat werd ingewilligd voor de asielzoekers die in 1997 naar Nederland kwamen nog 47, voor hen die zich in 2000 aanmeldden zal het vermoedelijk niet hoger worden dan 17 procent. De door de IND verzamelde gegevens hebben als peildatum 31 maart 2001. Dit houdt in dat het effect van de nieuwe vreemdelingenwet, die op 1 april 2001 van kracht werd, hierin (nog) niet zichtbaar is. Onder de ‘oude’ vreemdelingenwet waren drie verblijfsstatussen mogelijk: de (echte) vluchtelingenstatus (A-status), de vergunning tot verblijf (VTV) en de voorlopige vergunning tot verblijf (VVTV). Onder de huidige vreemdelingenwet is er maar één status mogelijk die eerst wordt verleend voor een bepaalde tijd (drie jaar) en daarna kan worden omgezet in een status voor onbepaalde tijd. Omvangrijke voorraad openstaande procedures Op de peildatum waren bijna alle asielprocedures uit de jaren 1994-1997 afgerond. Voor de meer recente jaren van aanmelding loopt het aantal nog openstaande zaken snel op, te weten van 15 duizend voor procedures uit 1998 tot meer dan 20 duizend voor die uit 1999 en 2000 (zie de figuur). Het totale aantal op 31 maart 2001 nog openstaande procedures uit de jaren 1994-2000 bedraagt 67 duizend. Daar staat tegenover dat er in totaal 189 duizend asielverzoeken zijn afgedaan. ![]() Bij de meeste nog niet afgeronde zaken gaat het om vervolgprocedures na een negatieve beslissing in eerste aanleg: 43 duizend. In 16 duizend gevallen is er nog geen beslissing in eerste aanleg genomen. Ten slotte staan er, ter verkrijging van een betere status, nog 8 duizend zaken open na een eerdere VTV- of VVTV-beslissing. Sterke daling verleende verblijfsstatussen Om de verschillende jaren met elkaar te kunnen vergelijken is door het NIDI een schatting gemaakt van de afloop van de nog niet afgeronde procedures. Ofschoon hieraan enige onzekerheid kleeft, wordt niet verwacht dat de uiteindelijke definitieve cijfers sterk van de nu gemaakte schattingen zullen gaan afwijken. Uit tabel 1 blijkt dat vooral het percentage verleende A-statussen sterk terugloopt: van 22 procent voor asielprocedures die dateren uit 1994 tot naar schatting zo’n drie procent voor de in 2000 gestarte procedures. Het percentage verleende (voorlopige) vergunningen tot verblijf, dat met 33 procent een top kent voor aanvragen uit 1997, daalt minder sterk, en wel naar ongeveer 14 procent. Terwijl van de aanvragen uit 1997 dus nog bijna de helft is gehonoreerd met een verblijfsstatus, zal dat voor de aanvragen uit 2000 naar verwachting nog maar 17 procent zijn. Daarbij heeft zich tevens een vorm van ‘statusinflatie’ voorgedaan: onvoorwaardelijke bescherming heeft in toenemende mate plaats gemaakt voor voorwaardelijke en tijdelijke bescherming. Omdat het ten slotte nog mogelijk is dat ook reeds verleende statussen na de toelatingsprocedure alsnog worden ingetrokken, kan het ‘werkelijke’ inwilligingspercentage nog wat lager uitvallen. Deze intrekkingen zijn door de IND niet in de cijfers opgenomen. Tabel 1. Uitkomsten van asielprocedures voor de cohorten 1994 tot en met 2000
Vervolgprocedures lonen nauwelijks meer Steeds minder vaak wordt een vervolgprocedure gestart na een eerste VTV- of VVTV-beslissing. Bij de aanvragen uit 1997 werd nog in 10 duizend gevallen, dat wil zeggen bijna 90 procent van alle VTV/VVTV-beschikkingen, een vervolgprocedure gestart. Voor de meer recente jaren loopt dit aantal sterk terug: naar rond de 3 duizend oftewel rond de 65 procent voor de aanvragen uit 2000. Het aantal gestarte beroepsprocedures na een eerste negatieve beslissing loopt aanvankelijk nog op naar omstreeks 26 duizend voor de aanvragen uit 1998 en 1999. Voor de aanvragen uit 2000 wordt evenwel een daling van deze vervolgprocedures verwacht naar ongeveer 18 duizend. Uitgedrukt als percentage van het totale aantal negatieve beslissingen in eerste aanleg is er al langer sprake van een daling: van bijna 90 procent voor de aanvragen uit 1997 tot zo’n 55 procent voor de aanvragen uit 2000. Uit deze cijfers blijkt dat de laatste jaren minder asielzoekers of hun advocaten heil lijken te zien in een vervolgprocedure. Deze ontwikkeling hangt ongetwijfeld samen met het feit dat de kans op een positief resultaat in een vervolgprocedure steeds kleiner is geworden. Bij de asielaanvragen die in 1994 en 1995 werden gedaan was een vervolgprocedure na een aanvankelijke VTV/VVTV-beslissing zonder meer lonend. In respectievelijk 69 en 50 procent van de gevallen werd de gewenste A-status alsnog verkregen. Ook bij een aanvankelijke negatieve beslissing leverde een vervolgprocedure vaak alsnog een verblijfsstatus op. Zo leverde13 procent van de vervolgprocedures na een in eerste instantie afgewezen asielverzoek uit 1994 alsnog een A-status op en 22 procent een VTV/VVTV-status. Voor meer recent gestarte asielaanvragen zijn vervolgprocedures echter steeds minder lonend geworden. Bij de aanvragen uit 1999 en 2000 zal een vervolgprocedure na een aanvankelijke VTV/VVTV-beslissing naar verwachting in minder dan 10 procent van de gevallen tot een A-status leiden. Ook vervolgprocedures na een eerste negatieve beslissing leveren steeds minder op: voor de aanvragen uit 2000 wordt verwacht dat maar vier procent zal resulteren in een VTV/VVTV-status en slechts één procent zal leiden tot een A-status. Flinke verschillen tussen nationaliteiten Het percentage ingewilligde asielverzoeken vertoont flinke verschillen naar land van herkomst (nationaliteit), zoals blijkt uit tabel 2. Tabel 2. Uitkomsten van asielprocedures voor de cohorten 1994 tot en met 2000 voor enige nationaliteiten
Asielzoekers uit Afghanistan scoren relatief hoog met 65 procent van de aanvragen uit 1994 en 55 procent van die uit 1999 en 2000. Wel treedt hierbij een duidelijke ‘statusinflatie’ op. Voor asielzoekers uit Irak is de situatie drastischer veranderd: van de aanvragen uit 1995 en 1996 werd nog 75 procent gehonoreerd met een status, van die uit 1999 en 2000 zal dat vermoedelijk slechts 10 procent zijn. Asielzoekers uit de Federale Republiek Joegoslavië scoorden al bij de aanvragen uit 1994 laag: 13 procent. Voor de aanvragen uit 2000 zal dat naar verwachting ongeveer vijf procent zijn. De overige landen laten een duidelijk dalende trend zien van bijna 50 procent voor de aanvragen uit 1994 tot rond de 10 procent voor die uit 2000. De daling voor verleende A-statussen is hierbij veel sterker dan die voor verleende VTV/VVTVs. Tot slot Duidelijk is dat asielzoekers onder de huidige omstandigheden slechts in zeer beperkte mate een verblijfsstatus in Nederland kunnen of zullen gaan krijgen. Het overgrote deel zal ons land weer moeten verlaten. Ofschoon hierover niet of nauwelijks gegevens bekend zijn, mag worden aangenomen dat een substantieel aantal uitgeprocedeerde asielzoekers in het illegale circuit terecht zal komen. Uiteraard hoeft dat niet te betekenen dat zij allen in Nederland zullen blijven. Omdat in Zuid-Europa, met name Spanje en Italië, de mogelijkheden om als illegaal een redelijk bestaan op te bouwen wellicht groter zijn dan in Nederland, is het niet denkbeeldig dat velen hun heil daar zullen gaan zoeken. Zolang er bezien vanuit Europees perspectief geen tekenen zijn dat een restrictiever asielbeleid ook zal leiden tot minder asielaanvragen, zal dit beleid leiden tot een duidelijke groei van het aantal illegaal in Europa verblijvende personen. Met andere woorden, een meer restrictief asielbeleid lost de problematiek rond asielzoekers niet op zolang de stroom asielzoekers naar het rijke Westen hierdoor niet wordt afgeschrikt. Tekenen van afschrikking zijn vooralsnog niet zichtbaar. Ook in het jaar 2001 is er in Europees opzicht geen sprake van een vermindering van het aantal asielaanvragen. De dalingen ten opzichte van 2000 die zich onder andere in Nederland, België en het Verenigd Koninkrijk hebben voorgedaan, worden ruimschoots gecompenseerd door stijgingen in landen als Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland, Zweden en Zwitserland. De regulering van de toenemende stromen mensen die mede in het kader
van de globalisering op zoek zijn naar een menswaardig bestaan vereist
derhalve een lange termijn visie die veel verder reikt dan een Europees,
laat staan nationaal, migratie- en asielbeleid.
LITERATUUR
Drs. R.F. van der Erf, NIDI |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Netherlands Interdisciplinary Demographic
Institute P.O. Box 11650 2502 AR The Hague The Netherlands E-mail: info@nidi.nl |
![]() |
![]()
Comments to: webmaster@nidi.nl
Copyright © 2002, NIDI, Netherlands Interdisciplinary Demographic
Institute.
Last revision: 1 March 2002.