|
Inhoud
![]()
E-mail: demos@nidi.nl ISSN 0169-1473 |
Vaders op leeftijd
Vergelijking met de 19e eeuw
FRANS VAN POPPEL EN KEES MANDEMAKERS
Nederlandse vrouwen zijn kampioen in het laat kinderen krijgen. Bij de discussie daarover staan de gevolgen voor de gezondheid van vrouw en kind centraal. De vaders van die kinderen zijn echter eveneens gemiddeld al ver boven de 30 bij de bevalling. De situatie is vergelijkbaar met die in de 19e eeuw en evenals toen zijn oude ouders ook nu stof voor discussie. Nederlandse vrouwen krijgen gemiddeld op steeds hogere leeftijd hun kinderen. De oorzaken van deze ontwikkeling en de voor- en nadelen ervan zijn in het afgelopen decennium zowel in de wetenschappelijke literatuur als op TV en radio en in publiekstijdschriften bij herhaling aan de orde gesteld. Opmerkelijk genoeg is aan de veranderingen in de leeftijd van de vaders veel minder aandacht besteed. Zowel vruchtbaarheidonderzoekers, demografen én fysiologen, als de publieksmedia zijn zich pas sinds kort meer in de betekenis van de leeftijd van de mannelijke partner gaan verdiepen. Het verschil tussen de leeftijden van mannelijke en vrouwelijke partners blijkt weinig veranderlijk. Daardoor is het logisch dat ook de leeftijd waarop mannen vader worden in de verstreken jaren grote veranderingen heeft ondergaan. Omdat er bij mannen in mindere mate sprake is van een absolute bovengrens in de leeftijd waarop men kinderen kan krijgen, is de variatiebreedte bij hen in principe groter dan bij vrouwen. Terugkeer naar oude gedragspatronen In de recente ontwikkeling van de leeftijd van de moeders bij de geboorte van hun kind keren oude gedragspatronen in zekere zin terug. In de 19e eeuw lag de leeftijd van vader en moeder bij de geboorte van kinderen eveneens relatief hoog. Dat kwam doordat:
Uit figuur 1, waarin de ontwikkeling van de gemiddelde leeftijd van vaders over de jaren 1812-1999 in beeld wordt gebracht, blijkt dat in de eerste helft van de 19e eeuw vaders aanmerkelijk ouder waren bij de geboorte van hun kinderen dan hedendaagse vaders. Het verschil bedroeg zo’n één tot anderhalf jaar. Vanaf circa 1865 is vervolgens een sterke daling zichtbaar in de leeftijd van vaders bij de geboorte van hun kind. Deze daling duurde tot circa 1900 en vervolgens veranderde er tot de Tweede Wereldoorlog weinig. Na de oorlog zette een zeer sterke daling in van de leeftijd waarop mannen hun kinderen kregen. In 20 jaar nam die leeftijd met rond de vier jaar af. Vanaf het begin van de jaren 70 van de 20ste eeuw was echter sprake van een sterke stijging waardoor nu de situatie zoals die aan het begin van 20ste eeuw was gegroeid weer terug is. We zijn echter nog redelijk ver verwijderd van wat gebruikelijk was in het midden van de 19e eeuw. ![]() In figuur 2 wordt de aandacht gericht op de vaders die boven de 50 nog een kind kregen. De afgelopen twee eeuwen was het percentage jaarlijks geboren kinderen met een vader van 50 jaar of ouder bij de geboorte van het kind weliswaar verwaarloosbaar maar ook aan veranderingen onderhevig. Uit de figuur blijkt opnieuw een verschil tussen de eerste helft van de 19e eeuw en de tweede helft. Tot circa 1865 was tussen de drie en zeven procent van de mannen de 50 gepasseerd op het moment dat ze een kind kregen. Daarna daalde dat percentage gestaag, ook na 1910, toen, zoals uit figuur 1 blijkt, de gemiddelde leeftijd van vaders op het moment van de geboorte weinig meer veranderde. De daling zette zich ook voort na de Tweede Wereldoorlog tot het begin van de jaren 70 van de 20ste eeuw. Daarna steeg het percentage oude vaders, maar het bereikte bij lange na niet het vooroorlogse niveau, laat staan dat van het midden van de 19e eeuw. ![]()
Huwelijksleeftijd, gemiddeld kindertal en hertrouw De leeftijd van mannen bij de geboorte van hun kinderen wordt beïnvloed door de leeftijd waarop men begint met kinderen krijgen, door de leeftijd tot welke men doorgaat met het krijgen van kinderen en door het deel van de mannen dat in een tweede huwelijk gezinsvorming gaat herhalen. De leeftijd waarop men begint met kinderen krijgen kan redelijk worden benaderd met de leeftijd bij sluiting van het eerste huwelijk. De leeftijd tot welke men doorgaat met het krijgen van kinderen hangt nauw samen met het gemiddeld kindertal. Het deel van de mannen dat in een tweede huwelijk gezinsvorming gaat herhalen ten slotte komt ongeveer overeen met het percentage hertrouwende mannen. Tussen 1812 en 1850 stijgt de leeftijd van mannen bij de geboorte van hun kinderen. Deze ontwikkeling loopt gelijk op met een lichte stijging van de leeftijd van mannen bij hun eerste huwelijk. Het percentage hertrouwende mannen verandert echter niet en ook het gemiddeld kindertal neemt naar we mogen veronderstellen niet af. Van 1865 tot 1910 daalt de gemiddelde huwelijksleeftijd van mannen vervolgens met 1,5 jaar en neemt het percentage hertrouwende mannen af van 15 naar 10 procent van alle huwelijken. Het kindertal neemt vanaf ongeveer 1880 voortdurend af en is verantwoordelijk voor de verdere lichte daling van de leeftijd van mannen bij de geboorte van hun kinderen. Deze is na 1910 nog even zichtbaar. Na de Tweede Wereldoorlog werken opnieuw een sterke daling van de huwelijksleeftijd van mannen (met 2,5 jaar) en een daling van het percentage hertrouwende mannen (van tien naar vijf procent van alle huwende mannen) een daling van de leeftijd van mannen bij de geboorte van hun kinderen in de hand. In de tweede helft van de jaren 60 voegt zich daarbij ook de dan inzettende daling van het kindertal. Vanaf het midden van de jaren 70 van de 20ste eeuw vindt een omkering van de trend plaats. Het percentage hertrouwende mannen neemt weer toe (tot bijna 20 procent, nu vooral gescheidenen), de leeftijd bij huwelijk, een huwelijk dat nu vaak wordt ingegeven door de wens om een kind te krijgen, stijgt (met bijna vijf jaar!), terwijl het kindertal min of meer constant blijft. “De kragten zijner Jeugd” Dat we getalsmatig weer in een 19e eeuwse situatie zijn beland, betekent echter niet dat instituties als het huwelijk en het gezin op dezelfde wijze worden beoordeeld en beleefd. Ook de wijze waarop tegen oude vaders en oude moeders wordt aangekeken, wijkt sterk af van wat in het 19e eeuwse discussieforum gangbaar was. De maatschappelijke en de wetenschappelijke discussie richt zich nu primair op de consequenties voor de gezondheid van vrouw en kind van de voortdurend gestegen leeftijd van de vrouw bij de geboorte van haar kinderen. Dergelijke argumenten speelden in het verleden nauwelijks een rol. In de 19e eeuw verzette men zich bijvoorbeeld in feite alleen tegen huwelijksrelaties van ouderen wanneer de verwachting was dat uit een dergelijke relatie geen kinderen meer geboren konden worden. Vandaar de vooral morele argumenten tegen huwelijken van jonge mannen met oudere vrouwen en, in mindere mate, tegen huwelijken van jonge vrouwen met oudere mannen. Voortplanting was immers het hoofddoel van het huwelijk. In een in 1802 verschenen anoniem werk werd erop gewezen, dat “volgens de inrichting der Natuur” de voortplanting van het geslacht het hoofddoel van het huwelijk is en waar dit doel niet bereikt kon worden, was van een echt in de meest strikte zin van het woord geen sprake. Huwelijken “tusschen Persoonen van zeer ongelijken ouderdom, bijzonder die tusschen eenen Jongeling en eene oude Vrouw” verdienden grote opmerkzaamheid van de Staat omdat de “voortplanting van gezonde en vruchtbare leden der samenleving daardoor bemoeilijkt werd", maar ook omdat “aan dergelijke huwelijken zedelijk kwalijke gevolgen waren verbonden". De jongeling verspilde immers “de kragten zijner Jeugd, om een veld te bebouwen, dat nooit vrugten draagt”. Door “verscheidene Menschevrienden" werden dan ook voorstellen gedaan om aan het leeftijdsverschil tussen man en vrouw een maximum te stellen: aan een 48-jarige vrouw zou geen huwelijk met een man van beneden de 60 worden toegestaan en aan een man van 50 geen huwelijk met een vrouw beneden de 28. Een bekende 19e eeuwse medicus, Pruys van der Hoeven, vond het de taak van de geneeskundigen om uit hoofde van het algemeen welzijn ongelijke huwelijken te voorkomen: “Al te ongelijk is het huwelijk, wanneer de man zóó veel ouder is dan de vrouw, dat hij eerder dan zij tot voortplanting ongeschikt is. Dien leeftijd kan men voor den man gemiddeld op 60, voor de vrouw op 40 tot 45 jaren rekenen.” Een andere auteur merkte op dat het doel van het huwelijk “door eene verbinding van eenen jeugdige man met eene bejaarde vrouw moeijelijk kon worden bereikt, hetzij omdat beide of een van beide het voorttelingsvermogen reeds missen, hetzij omdat beide of een der ouders sterven vóór de kinderen tot zelfstandige menschen zijn opgevoed”. Een andere auteur achtte laat huwen een risico omdat kinderen hun ouders veel korter behielden en het aantal wezen en weduwen met kleine kinderen sterk zou toenemen. Bovendien, wanneer de huwelijken gesloten werden op een moment waarop alle idealen waren vervlogen, konden de ouders nog slechts weinig positiefs aan hun kinderen overdragen. Hedendaagse discussie Het zijn argumenten als deze die ook in de beperkte hedendaagse discussie
over de oudere vader weer worden herhaald. Het is niet uitgesloten dat,
naarmate meer onderzoek naar de rol van de man in het reproductieproces
wordt gedaan, ook andere aspecten aandacht krijgen. Historici hebben erop
gewezen dat een groot leeftijdsverschil tussen vader en kind het vaderlijk
gezag over de kinderen versterkte. Recent onderzoek heeft sterke aanwijzingen
opgeleverd voor een effect van de leeftijd van de vader bij conceptie van
het kind, onafhankelijk van de leeftijd van de moeder, op de levenskansen
en enkele specifieke aandoeningen van het kind. Het valt daarom te verwachten
dat aan de exclusieve aandacht voor de gestegen leeftijd van de moeder
bij de bevalling binnenkort wel een einde zal komen.
LITERATUUR
|
![]() |
Netherlands Interdisciplinary Demographic
Institute P.O. Box 11650 2502 AR The Hague The Netherlands E-mail: info@nidi.nl |
![]() |
![]()
Comments to: webmaster@nidi.nl
Copyright © 2002, NIDI, Netherlands Interdisciplinary Demographic
Institute.
Last revision: 2 April 2002.