DEMOS
=Jaargang 18
=Maart 2002

Nummer  Inhoud


  Vorige artikel Volgende artikel






=Bulletin
=over
=Bevolking
=en
=Samenleving


NIDI

=Een uitgave
=van de
=Stichting
=Nederlands
=Interdisciplinair
=Demografisch
=Instituut



E-mail: demos@nidi.nl


ISSN 0169-1473
Het gezinsideaal
Van traditioneel naar modern

AART C. LIEFBROER

Het moderne huwelijks- en gezinsideaal vertoont een gestage opmars. Tussen 1990 en 2000 heeft een forse verschuiving plaatsgevonden van een traditioneel naar een modern huwelijks- en gezinsideaal. De aanhangers van deze moderne visie hebben een voorkeur voor ongehuwd samenwonen vóór het huwelijk en een iets minder negatieve houding ten aanzien van echtscheiding. Zij zijn daarnaast voorstander van het combineren van betaald werk en de zorg voor de kinderen. De vrouw wordt geacht in beide domeinen actief te zijn.

Uit onderzoek blijkt steeds opnieuw dat Nederlanders veel waarde blijven hechten aan een partnerrelatie en het hebben van kinderen. Tegelijkertijd verandert er echter heel wat in de manier waarop mensen vorm geven aan relaties en gezin. In het oog springende veranderingen zijn bijvoorbeeld de toegenomen populariteit van het ongehuwd samenwonen, het veel normaler worden dat huwelijkspartners scheiden en het feit dat steeds meer vrouwen werk en moederschap combineren in plaats van zich uitsluitend op het moederschap en het huishouden te richten. Tegen deze achtergrond is het interessant om na te gaan hoe Nederlanders denken over relatievorming en -ontbinding en over de betekenis van het gezin. Dat kan op basis van het onderzoek naar Meningen en Opvattingen over Aspecten van het Bevolkingsvraagstuk (MOAB) dat het NIDI om de drie jaar uitvoert, de laatste keer in 2000 (zie kader).

MOAB

In het onderzoek naar ‘Meningen en Opvattingen van de bevolking over Aspecten van het Bevolkingsvraagstuk’ (MOAB), dat werd gehouden in respectievelijk 1983, 1986, 1990, 1994, 1997 en 2000, werd steeds de mening van 1.400 à 1.800 mensen gevraagd over een breed scala aan onderwerpen. Opvattingen over relaties en kinderen en over het combineren van werk en ouderschap waren twee van deze onderwerpen. Ook is aandacht besteed aan de eventuele door de overheid te treffen maatregelen ten behoeve van gezinnen, zoals verlofregelingen, kinderopvang, variabele werktijden, kinderbijslag en kosten van onderwijs. Verder zijn vragen gesteld over opvattingen betreffende ouderen en werk, de wensen ten aanzien van de leeftijd waarop men met pensioen gaat, opvattingen over regelingen die erop zijn gericht de AOW betaalbaar te houden, en meningen over allochtonen.

Trouwen of samenwonen

Uit figuur 1 blijkt dat anno 2000 ruim 55 procent van de bevolking er, als men helemaal vrij zou kunnen kiezen, de voorkeur aan zou geven om eerst ongehuwd met een partner samen te wonen en er na verloop van tijd mee te trouwen. Direct trouwen zonder eerst ongehuwd te hebben samengewoond  heeft de voorkeur van 18 procent. Ongeveer 10 procent zou kiezen voor ongehuwd samenwonen zonder te trouwen, negen procent voor een lat-relatie - wel een partner, maar geen gemeenschappelijke huishouding, en slechts drie procent wilde geen vaste partner. Meer dan driekwart van de bevolking zou dus nog steeds willen trouwen, maar vaak pas na eerst een tijd te hebben samengewoond.

Uit de figuur blijkt verder dat de bevolking de afgelopen 10 jaar een totaal andere voorkeur kreeg. In 1990 wilden de meeste mensen nog direct trouwen, maar in de tweede helft van de jaren negentig was dat veel en veel minder het geval. Verder gaven steeds meer mensen er de voorkeur aan om ongehuwd te gaan samenwonen zonder daarna te trouwen en was het deel van de mensen dat een lat-relatie wilde aangaan, verdubbeld.

Echtscheiding

Niet alleen de keuze voor het huwelijk is veel minder vanzelfsprekend geworden, ook de duurzaamheid ervan. Echtscheiding is sinds de jaren zestig veel ‘normaler’ geworden. In 1970 liep slechts 12 procent van de in dat jaar gesloten huwelijken de kans om stuk te lopen maar momenteel verwacht men dat tussen de 25 en 30 procent op een scheiding zal uitlopen. Niet dat men dit ook een gewenste ontwikkeling vindt. Integendeel. In 2000 vond ruim 80 procent van de mensen het een slechte zaak dat veel huwelijken uitlopen op een echtscheiding. In de loop van de jaren negentig is men zelfs negatiever gaan denken over echtscheiding. Vond in 1990 nog 33 procent van de bevolking het heel erg slecht dat er zoveel werd gescheiden, in 2000 was dit percentage gestegen tot ruim 39. Met andere woorden, ondanks het feit dat echtscheidingen in de praktijk steeds frequenter voorkomen, is men vaker van mening dat dit eigenlijk een slechte zaak is.

Het gezin

De meeste mensen die met een partner samenleven, kiezen vroeg of laat voor kinderen. Het is daarom interessant om na te gaan hoe mensen denken over het gezinsleven. In de loop van de jaren negentig vond een groeiend aantal mensen dat er meer aandacht zou moeten zijn voor het gezinsleven. In 2000 waren dat er vier op de vijf. Onderzocht is verder wat men voor kinderen een goede of minder goede gezinsvorm vindt om in op te groeien.

Uit figuur 2 blijkt dat men een gezin met twee met elkaar gehuwde ouders de beste vorm vindt om kinderen in op te voeden. Meer dan de helft (54 procent) van de mensen staat daar heel positief tegenover en 39 procent heeft er een goed gevoel over. Ook over het opvoeden van kinderen door ongehuwd samenwonende ouders wordt positief geoordeeld: 39 procent vindt die gezinsvorm heel geschikt en 50 procent geeft aan dat deze goede garanties biedt. Het stiefgezin vindt men iets minder geschikt: slechts zeven procent is van mening dat opvoeden van een kind in een stiefgezin heel erg goed mogelijk is. Toch vinden de meeste mensen (63 procent) nog wel dat kinderen ook goed in een stiefgezin kunnen worden opgevoed. Het maakt niet uit of dat bij een stiefmoeder of bij een stiefvader is.

Over het opgroeien van kinderen in eenoudergezinnen wordt veel minder positief geoordeeld. Is die ene ouder de vader dan is slechts 14 procent van de mensen positief en 31 procent heel negatief, is die ouder de moeder dan heeft 17 procent er geen problemen mee, maar vindt 26 procent het (heel) slecht dat een kind in die situatie zou opgroeien. Over de opvoeding van kinderen door homoparen wordt iets positiever geoordeeld. Positief en negatief oordeel houden elkaar hier ongeveer in evenwicht. Over de opvoeding van een kind door twee mannen is 28 procent (heel) positief; 35 procent vindt dat (heel) slecht. Bij de opvoeding van een kind door twee vrouwen is dat respectievelijk  29 en 32 procent.

Taakverdeling

In het MOAB-onderzoek is nagegaan hoe de partners arbeid en zorg graag zouden willen combineren. Uit figuur 3 blijkt dat drie arrangementen ongeveer even populair zijn:

  • een combinatie van gezins- en arbeidstaken waarbij beide partners in deeltijd werkzaam zijn terwijl ze één of meer kinderen hebben (heeft de voorkeur van 26 procent van de mensen); 
  • een regeling waarbij de vrouw tijdelijk stopt met werken zolang er kleine kinderen zijn (voorkeur van 25 procent); en 
  • een verdeling waarbij - als er kinderen zijn - de man voltijds blijft werken, terwijl de vrouw het opvoeden van de kinderen combineert met een deeltijdbaan (voorkeur van 21 procent). 
Veel minder populair is het combineren van de zorg voor kinderen met een voltijdbaan voor beide partners (voorkeur van slechts vijf procent). Verder zou negen procent willen dat de vrouw voorgoed stopt met werken als er kinderen komen en wenst eveneens negen procent geen kinderen te krijgen.

Uit deze cijfers blijkt dat tegenwoordig nog slechts weinigen van mening zijn dat een vrouw zich geheel dient te concentreren op het moederschap. Een kwart van de mensen denkt wel dat het goed zou zijn als de vrouw tijdelijk zou stoppen met werken wanneer de kinderen klein zijn. Het gaat hierbij vooral om vrouwen. Daartegenover staat dat iets meer dan de helft van de mensen, en het betreft dan vooral mannen, van mening is dat in die situatie beide partners zouden moeten blijven werken. Opvallend is het relatief grote aantal mensen (26 procent van het totaal) dat een deeltijdbaan voor beide partners wenselijk acht. Dat onderzoeksresultaat steekt schril af bij de realiteit, waarin vooral mannen nog in overgrote meerderheid een voltijdbaan hebben.

Visies omtrent relaties en gezin

Opvattingen over relaties en gezin staan niet los van elkaar. Op basis van de MOAB-gegevens is nagegaan of er patronen in die opvattingen zijn te onderscheiden. Uit de analyse kwamen vier visies naar voren:

Visies op relaties en gezin, 1990-2000 (%)

 
Jaar
Visie
1990
1994
1997
2000
traditionele huwelijks- en gezinsideaal
51
40
34
27
moderne gezinsideaal
35
45
55
60
partnerideaal
4
9
8
8
ongebondenheidsideaal
10
6
3
5

Het traditionele huwelijks- en gezinsideaal 
Binnen deze visie wordt het huwelijk gezien als een unieke en onverbrekelijke band, zijn huwelijk en ouderschap direct gekoppeld en nemen moeders de verzorgende rol op zich en zijn niet op de arbeidsmarkt actief. Huwelijk, gezinsleven en een gerichtheid van de vrouw op haar verzorgende rol binnen het gezin zijn centrale waarden. In het begin van de jaren negentig dachten de meeste mensen er nog zo over, nu slechts een kwart van de bevolking (zie de tabel). Het traditionele gezinsideaal vindt vooral weerklank in religieuze kringen, bij mensen die geloof belangrijk tot zeer belangrijk vinden en stemmen op het CDA of op een van de kleine christelijke partijen. Verder wordt de traditionele gezinsmoraal vooral aangehangen door mensen boven de 45 jaar, laagopgeleiden en gehuwden.

Het moderne gezinsideaal
De dominante rol van de traditionele huwelijks- en gezinsmoraal is in de loop van de jaren negentig overgenomen door wat het moderne gezinsideaal zou kunnen worden genoemd. De voorkeur gaat uit naar ongehuwd samenwonen gevolgd door trouwen, maar in het besef dat relaties niet altijd voor het leven zijn. Kinderen zijn gewenst, maar in combinatie met arbeidsmarktparticipatie van de vrouw. Aan het begin van de jaren negentig dacht ongeveer eenderde van de mensen er zo over, nu is dat zo’n 60 procent. Het gaat daarbij vooral om mensen onder de 45 jaar, middelbaar of hoog opgeleid, die geloof niet zo belangrijk vinden en behoren tot het brede spectrum van de Paarse Coalitie, vooral onder stemmers op de VVD en D66 en in mindere mate ook onder stemmers op de PvdA.

Het partner-ideaal
Een kleine 10 procent van de mensen geeft voorrang aan de partnerrelatie boven het gezin. Voor hen staat de inhoud en de voldoening die de partnerrelatie biedt centraal, los van haar traditionele inhoud en van het ouderschap. Huwelijk en het hebben van kinderen worden afgewezen en echtscheiding wordt beschouwd als een tamelijk normale zaak. Het  partner-ideaal heeft vooral aanhangers onder mensen die op Groen Links stemmen en onder mensen voor wie geloof geen rol in het leven speelt.

Het ongebondenheidsideaal
Vijf procent van de mensen, ten slotte, wenst zich niet (meer) te binden aan een partner door met hem of haar samen te gaan leven, maar overweegt hoogstens nog een lat-relatie aan te gaan. Zij zien geen bezwaren tegen echtscheiding. Het ongebondenheidsideaal treft men alleen aan bij gescheidenen, hoewel ook verweduwden en 65-plussers relatief weinig belang (meer) lijken te hechten aan een partnerrelatie.

Tot slot

Uit de resultaten van het meest recente MOAB-onderzoek blijkt dat de Nederlandse bevolking het gezin nog steeds centraal stelt. Verreweg de meeste mensen geven de voorkeur aan het leven in gezinsverband met partner en kinderen, maar dat moet dan wel een modern ingesteld gezin zijn. Slechts ongeveer 15 procent wijst ouderschap af en wenst zich alleen aan een partner of in het geheel niet te binden.

De resultaten van het in 2000 gehouden MOAB-onderzoek werden gepubliceerd in een eind december 2001 verschenen NIDI-Rapport: 
Esveldt, I., G. Beets, K. Henkens, A.C. Liefbroer en H. Moors (2001), Meningen en opvattingen van de bevolking over aspecten van het bevolkingsvraagstuk, 1983-2000. NIDI Rapport 62. Den Haag: NIDI.

Dr. Aart C. Liefbroer, NIDI


terug naar : INHOUD | REACTIES : demos@nidi.nl


Organization Netherlands Interdisciplinary Demographic Institute

P.O. Box 11650
2502 AR The Hague
The Netherlands

E-mail: info@nidi.nl
NIDI

========

Comments to: webmaster@nidi.nl

Copyright © 2002, NIDI, Netherlands Interdisciplinary Demographic Institute.
Last revision: 2 April 2002.