|
Inhoud
![]()
E-mail: demos@nidi.nl ISSN 0169-1473 |
Het gezinsideaal
Van traditioneel naar modern
AART C. LIEFBROER
Het moderne huwelijks- en gezinsideaal vertoont een gestage opmars. Tussen 1990 en 2000 heeft een forse verschuiving plaatsgevonden van een traditioneel naar een modern huwelijks- en gezinsideaal. De aanhangers van deze moderne visie hebben een voorkeur voor ongehuwd samenwonen vóór het huwelijk en een iets minder negatieve houding ten aanzien van echtscheiding. Zij zijn daarnaast voorstander van het combineren van betaald werk en de zorg voor de kinderen. De vrouw wordt geacht in beide domeinen actief te zijn. Uit onderzoek blijkt steeds opnieuw dat Nederlanders veel waarde blijven hechten aan een partnerrelatie en het hebben van kinderen. Tegelijkertijd verandert er echter heel wat in de manier waarop mensen vorm geven aan relaties en gezin. In het oog springende veranderingen zijn bijvoorbeeld de toegenomen populariteit van het ongehuwd samenwonen, het veel normaler worden dat huwelijkspartners scheiden en het feit dat steeds meer vrouwen werk en moederschap combineren in plaats van zich uitsluitend op het moederschap en het huishouden te richten. Tegen deze achtergrond is het interessant om na te gaan hoe Nederlanders denken over relatievorming en -ontbinding en over de betekenis van het gezin. Dat kan op basis van het onderzoek naar Meningen en Opvattingen over Aspecten van het Bevolkingsvraagstuk (MOAB) dat het NIDI om de drie jaar uitvoert, de laatste keer in 2000 (zie kader). Trouwen of samenwonen Uit figuur 1 blijkt dat anno 2000 ruim 55 procent van de bevolking er, als men helemaal vrij zou kunnen kiezen, de voorkeur aan zou geven om eerst ongehuwd met een partner samen te wonen en er na verloop van tijd mee te trouwen. Direct trouwen zonder eerst ongehuwd te hebben samengewoond heeft de voorkeur van 18 procent. Ongeveer 10 procent zou kiezen voor ongehuwd samenwonen zonder te trouwen, negen procent voor een lat-relatie - wel een partner, maar geen gemeenschappelijke huishouding, en slechts drie procent wilde geen vaste partner. Meer dan driekwart van de bevolking zou dus nog steeds willen trouwen, maar vaak pas na eerst een tijd te hebben samengewoond. ![]() Uit de figuur blijkt verder dat de bevolking de afgelopen 10 jaar een totaal andere voorkeur kreeg. In 1990 wilden de meeste mensen nog direct trouwen, maar in de tweede helft van de jaren negentig was dat veel en veel minder het geval. Verder gaven steeds meer mensen er de voorkeur aan om ongehuwd te gaan samenwonen zonder daarna te trouwen en was het deel van de mensen dat een lat-relatie wilde aangaan, verdubbeld. Echtscheiding Niet alleen de keuze voor het huwelijk is veel minder vanzelfsprekend geworden, ook de duurzaamheid ervan. Echtscheiding is sinds de jaren zestig veel ‘normaler’ geworden. In 1970 liep slechts 12 procent van de in dat jaar gesloten huwelijken de kans om stuk te lopen maar momenteel verwacht men dat tussen de 25 en 30 procent op een scheiding zal uitlopen. Niet dat men dit ook een gewenste ontwikkeling vindt. Integendeel. In 2000 vond ruim 80 procent van de mensen het een slechte zaak dat veel huwelijken uitlopen op een echtscheiding. In de loop van de jaren negentig is men zelfs negatiever gaan denken over echtscheiding. Vond in 1990 nog 33 procent van de bevolking het heel erg slecht dat er zoveel werd gescheiden, in 2000 was dit percentage gestegen tot ruim 39. Met andere woorden, ondanks het feit dat echtscheidingen in de praktijk steeds frequenter voorkomen, is men vaker van mening dat dit eigenlijk een slechte zaak is. Het gezin De meeste mensen die met een partner samenleven, kiezen vroeg of laat voor kinderen. Het is daarom interessant om na te gaan hoe mensen denken over het gezinsleven. In de loop van de jaren negentig vond een groeiend aantal mensen dat er meer aandacht zou moeten zijn voor het gezinsleven. In 2000 waren dat er vier op de vijf. Onderzocht is verder wat men voor kinderen een goede of minder goede gezinsvorm vindt om in op te groeien. Uit figuur 2 blijkt dat men een gezin met twee met elkaar gehuwde ouders de beste vorm vindt om kinderen in op te voeden. Meer dan de helft (54 procent) van de mensen staat daar heel positief tegenover en 39 procent heeft er een goed gevoel over. Ook over het opvoeden van kinderen door ongehuwd samenwonende ouders wordt positief geoordeeld: 39 procent vindt die gezinsvorm heel geschikt en 50 procent geeft aan dat deze goede garanties biedt. Het stiefgezin vindt men iets minder geschikt: slechts zeven procent is van mening dat opvoeden van een kind in een stiefgezin heel erg goed mogelijk is. Toch vinden de meeste mensen (63 procent) nog wel dat kinderen ook goed in een stiefgezin kunnen worden opgevoed. Het maakt niet uit of dat bij een stiefmoeder of bij een stiefvader is. ![]() Over het opgroeien van kinderen in eenoudergezinnen wordt veel minder positief geoordeeld. Is die ene ouder de vader dan is slechts 14 procent van de mensen positief en 31 procent heel negatief, is die ouder de moeder dan heeft 17 procent er geen problemen mee, maar vindt 26 procent het (heel) slecht dat een kind in die situatie zou opgroeien. Over de opvoeding van kinderen door homoparen wordt iets positiever geoordeeld. Positief en negatief oordeel houden elkaar hier ongeveer in evenwicht. Over de opvoeding van een kind door twee mannen is 28 procent (heel) positief; 35 procent vindt dat (heel) slecht. Bij de opvoeding van een kind door twee vrouwen is dat respectievelijk 29 en 32 procent. Taakverdeling In het MOAB-onderzoek is nagegaan hoe de partners arbeid en zorg graag zouden willen combineren. Uit figuur 3 blijkt dat drie arrangementen ongeveer even populair zijn:
![]() Uit deze cijfers blijkt dat tegenwoordig nog slechts weinigen van mening zijn dat een vrouw zich geheel dient te concentreren op het moederschap. Een kwart van de mensen denkt wel dat het goed zou zijn als de vrouw tijdelijk zou stoppen met werken wanneer de kinderen klein zijn. Het gaat hierbij vooral om vrouwen. Daartegenover staat dat iets meer dan de helft van de mensen, en het betreft dan vooral mannen, van mening is dat in die situatie beide partners zouden moeten blijven werken. Opvallend is het relatief grote aantal mensen (26 procent van het totaal) dat een deeltijdbaan voor beide partners wenselijk acht. Dat onderzoeksresultaat steekt schril af bij de realiteit, waarin vooral mannen nog in overgrote meerderheid een voltijdbaan hebben. Visies omtrent relaties en gezin Opvattingen over relaties en gezin staan niet los van elkaar. Op basis van de MOAB-gegevens is nagegaan of er patronen in die opvattingen zijn te onderscheiden. Uit de analyse kwamen vier visies naar voren:
Het traditionele huwelijks- en gezinsideaal
Het moderne gezinsideaal
Het partner-ideaal
Het ongebondenheidsideaal
Tot slot Uit de resultaten van het meest recente MOAB-onderzoek blijkt dat de Nederlandse bevolking het gezin nog steeds centraal stelt. Verreweg de meeste mensen geven de voorkeur aan het leven in gezinsverband met partner en kinderen, maar dat moet dan wel een modern ingesteld gezin zijn. Slechts ongeveer 15 procent wijst ouderschap af en wenst zich alleen aan een partner of in het geheel niet te binden. De resultaten van het in 2000 gehouden MOAB-onderzoek
werden gepubliceerd in een eind december 2001 verschenen NIDI-Rapport:
Dr. Aart C. Liefbroer, NIDI |
||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Netherlands Interdisciplinary Demographic
Institute P.O. Box 11650 2502 AR The Hague The Netherlands E-mail: info@nidi.nl |
![]() |
![]()
Comments to: webmaster@nidi.nl
Copyright © 2002, NIDI, Netherlands Interdisciplinary Demographic
Institute.
Last revision: 2 April 2002.