Jaargang 18
Juni/Juli 2002
Inhoud

Bulletin
over
Bevolking
en
Samenleving
Een uitgave
van de
Stichting
Nederlands
Interdisciplinair
Demografisch
Instituut
E-mail: demos@nidi.nl
ISSN 0169-1473
|
Oost Timor
Profiel van een nieuwe natie
ERNST SPAAN
Op 20 mei 2002 werd Oost Timor onafhankelijk. Nadat kolonisator Portugal zich in 1975 had teruggetrokken, lijfde Indonesië Oost Timor in. Decennia van onderdrukking, onderontwikkeling en het met geweld, plundering en vluchtelingenstromen gepaard gaande onafhankelijkheidsproces hebben het land berooid achtergelaten. Het onafhankelijke Oost Timor maakt een start als een van armste landen ter wereld. Het land heeft voorts een hele jonge bevolking; er was tot nu toe, ondanks de vooruitgang die Indonesië op dat terrein maakte, nauwelijks sprake van gezinsplanning. De gezondheidszorg en de zorg voor moeder en kind staan voorts op een laag peil. De kindersterfte is hoog.

Bron: United Nations Cartographic Section
Het eiland Timor, gelegen tussen Indonesië en Australië, kent een lange geschiedenis van overheersing door buitenlandse mogendheden. Het westelijke deel van het eiland, met als hoofdplaats Kupang, was tot aan de onafhankelijkheid in 1949 deel van Nederlands-Indië. Het oostelijk deel was vanaf de 16e eeuw tot aan 1975 een Portugese kolonie. Oost Timor werd in december 1975 door het Indonesische leger bezet nadat Portugal zich had teruggetrokken en het land zich onafhankelijk verklaarde. Indonesië lijfde eind 1976 het gebiedsdeel in als 27ste provincie. Ondanks diplomatieke druk en de weigering van de VN om de annexatie van Oost Timor te erkennen, bleef Indonesië volhouden dat ze in haar recht stond. Een groot deel van de Oost Timorezen verzette zich echter sindsdien tegen deze gang van zaken en de bevolking leed onder de gewelddadige repressie door het Indonesisch leger. De massamoord in 1991 in de hoofdstad Dili op meer dan 200 mensen, na een vreedzame demonstratie, kan gezien worden als een keerpunt en luidde een periode in van toenemend protest en internationale druk op de Indonesische regering. José Alexandre ("Xanana") Gusmão, de onbetwiste en charismatische leider van de verzetsbeweging Falintil (gewapende arm van het Timorese Front voor Nationale Bevrijding ofwel Fretilin), werd in 1992 door de Indonesische regering gevangen gezet. In 1992 werd deze straf echter onder internationale druk omgezet in huisarrest. In 1999 werd Gusmão uiteindelijk vrijgelaten. Twee andere leidende figuren, Carlos Filipe Ximenes Belo (aartsbisschop van Dili) and José Ramos-Horta (nu de Oost Timorese Minister van Buitenlandse Zaken) kregen in 1996 de Nobelprijs voor de Vrede voor hun inzet voor een vreedzame oplossing van het conflict met Indonesië.
Onafhankelijkheid in zicht
Begin 1999 kondigde de toenmalige Indonesische president Habibie een referendum aan over de onafhankelijkheid. Het werd gehouden in augustus van dat jaar. De Oost Timorezen stemden massaal voor onafhankelijkheid, hetgeen vervolgens leidde tot gewelddadige acties door pro-Indonesische Timorese milities, waarbij vele doden en gewonden vielen en dorpen en steden in de as werden gelegd. Een half miljoen Oost Timorezen, bijna tweederde van de totale bevolking, ontvluchtten huis en haard. Van hen stak de helft de grens over naar West Timor. Sinds de daaropvolgende interventie door de internationale gemeenschap en de stationering van een VN-vredesmacht viel Oost Timor onder VN-bestuur, het United Nations Transitional Authority in East Timor-UNTAET. Onder leiding van de VN werd de onafhankelijkheid voorbereid. Op 20 mei 2002 werd deze een feit. Xanana Gusmão werd met overgrote meerderheid van de stemmen verkozen tot eerst president van de onafhankelijke staat Timor Lorosae. Het land is onderverdeeld in dertien districten met als hoofdstad Dili.
De economie
Oost Timor heeft een voornamelijk agrarische economie. Het enige commerciële gewas van enige betekenis is koffie, die voor een deel wordt geëxporteerd. De meeste mensen leven van de kleinschalige landbouw, voornamelijk het verbouwen van voedselgewassen zoals maïs, cassave en rijst. De secundaire en tertiaire sectoren van de economie zijn nauwelijks ontwikkeld. Na de gewelddadige overgang naar de onafhankelijkheid is de situatie verslechterd en hebben grote delen van de getraumatiseerde en straatarme bevolking nauwelijks nog middelen van bestaan. De Wereldbank schat het aantal mensen dat van minder dan een dollar per dag moet leven op 20 procent en van twee dollar per dag op 63 procent. Het jaarlijkse inkomen per hoofd van de bevolking wordt geschat op ongeveer US$ 210.
Een lichtpuntje voor de toekomst zijn de plannen om de aanzienlijke olie- en gasreserves in de Timor Zee te gaan exploiteren. Australië maakt echter ook aanspraak op deze olie- en gasvoorraden en al in 1989 tekenden Indonesië en Australië het Timor Trog verdrag waarin werd afgesproken dat de toekomstige inkomsten gelijkelijk zouden worden verdeeld. Na veel onderhandelingen hebben Oost Timor en Australië begin juli 2002 een nieuw akkoord ondertekend waarbij de olie- en gasopbrengsten zullen worden verdeeld in de verhouding 90-10 procent. De exploitatie, die in 2004 van start zal gaan, zal Oost Timor de komende twintig jaar een geschatte 4,5 miljard Euro kunnen opleveren. Deze inkomsten zijn van essentieel belang voor de opbouw van het land. Behalve van eigen inkomsten is Oost Timor sterk afhankelijk van internationale steun. In 1999 zegde de internationale donorgemeenschap in totaal 440 miljoen US dollar toe voor de wederopbouw gedurende de eerste drie jaren. Hiertoe is een Trust Fund for East Timor (TFET) opgericht onder auspiciën van de Wereldbank. In April 2002 had de TFET reeds een totaal bedrag van ruim 164 miljoen US dollar in liquide middelen ontvangen.
De bevolking
Volgens recente cijfers van de Wereldbank telde Oost Timor in 2001 830.000 inwoners. In 1980 waren dat er nog rond de 550.000 en in 1990 bijna driekwart miljoen. Het land heeft een erg jonge bevolking: bijna de helft is jonger dat 14 jaar en slechts twee procent is ouder dan 65. De inwoners behoren tot diverse etnische groepen van Maleise, Polynesische en Melanesische afkomst, tot de etnische Chinezen, of kwamen als transmigrant uit andere delen van Indonesië. In totaal worden er in Oost Timor achttien inheemse talen gesproken. De meeste mensen spreken de lokale taal Tetum. Daarnaast is er het Bahasa Indonesia en het Portugees. Nu Oost Timor onafhankelijk is wordt Portugees de officiële taal. Volgens Indonesische statistieken van 1992 was rond de 90 procent van de Oost Timorezen rooms-katholiek, vier procent Islamitisch en drie procent Protestant. Dit geeft een vertekend beeld aangezien de bevolking zich volgens Indonesische wetten moest laten registeren als hetzij Katholiek, Protestant, Moslim, Hindoe of Boeddhist. Een deel van de bevolking is echter nog steeds animistisch. Ruim driekwart van de Oost Timorezen leeft op het platteland.
Transmigratie
Ondanks dat Oost Timor sterk onderontwikkeld is, was het één van bestemmingsgebieden van zogenaamde transmigranten afkomstig uit meer dichtbevolkte delen van Indonesië, met name Javanen, Madurezen en Buginezen. De transmigratie heeft kwaad bloed gezet bij de lokale bewoners en heeft geleid tot interetnische conflicten, waarbij de religieuze tegenstellingen tussen de moslim immigranten en de katholieke Timorezen aangewakkerd zijn. Volgens het Indonesische Bureau voor de Statistiek telde Oost Timor in 1990 en 1995 respectievelijk 46.405 en 58.856 mensen die uit andere delen van Indonesië naar Oost Timor gemigreerd waren. Tegelijkertijd waren 12.796 en 9.742 mensen vertrokken uit de provincie in 1990 en 1995. Netto was er dus een migratiesaldo van 33.609 in 1990 en 49.114 in 1995. Recentere cijfers zijn nog niet voorhanden.
Vluchtelingen
Sinds eind 1999 assisteren de United Nations High Commission for Refugees (UNHCR) en de International Organization for Migration (IOM) bij de terugkeer van de vluchtelingen. In april 2002 waren reeds tweehonderd duizend gerepatrieerd. In West Timor bevinden zich nog steeds rond de vijftig duizend Oost Timorese vluchtelingen, van de kwart miljoen die het geweld en de anarchie in 1999 ontvlucht waren. De meeste vluchtelingen bevonden zich in kampen rond Kupang op West Timor. Een deel van de vluchtelingen was naar elders in Indonesië uitgeweken en tussen de vijf en tienduizend (veelal etnische Chinezen) naar Darwin in Australië.
Gezinsplanning
De gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei tussen 1980 en 1990 was 3,02 procent. Voor de periode 1990-1995 was dit 2,35 procent. Ondanks het feit dat Indonesië internationaal geprezen is voor haar geboortebeperkingsprogramma sloeg gezinsplanning in de voormalige Indonesische provincie Oost Timor minder goed aan. Het door Jakarta sinds 1980 gepropageerde gezinsplanningprogramma werd door de katholieke Timorezen altijd met wantrouwen bekeken. De Katholieke Kerk verbood bij monde van Bisschop Belo het gebruik van voorbehoedsmiddelen. In 1998 telde Oost Timor rond de 113 gezinsplanningklinieken. Het totale vruchtbaarheidscijfer volgens de volkstelling van 1990 was 5,7, wat hoog is in vergelijking met het gemiddelde (3,0) voor Indonesië in datzelfde jaar. In 1995 was het vruchtbaarheidscijfer gedaald naar 4,7. Volgens de Indonesische Demographic & Health Survey van 1991 deed een kwart van de getrouwde vrouwen in de reproductieve leeftijd aan geboortebeperking (moderne en traditionele methoden). Wel is er voldoende kennis van anticonceptie: tweederde van de getrouwde Oost Timorese vrouwen had kennis van minimaal één modern voorbehoedsmiddel. Van de vrouwen die in 1990 voor het eerst voorbehoedsmiddelen gebruikten, namen de meesten injecteerbare middelen tot zich, gevolgd door anticonceptiepillen. Recente data (Timorese Living Standard Measurement Survey 2001) wijzen op een percentage van acht procent van de vrouwen tussen de 15-49 jaar dat moderne anticonceptie gebruikt. Dat is zeer laag in vergelijking met Indonesië (57 procent).
Gezondheid en levensverwachting
Vóór het referendum van 1999 lieten de algemene gezondheidssituatie en de medische infrastructuur in Oost Timor al te wensen over in vergelijking met andere delen van Indonesië. In 1980 waren er vier ziekenhuisbedden per 10.000 mensen, en negentien klinieken per 100.000 mensen. Na het geweld en de plunderingen in 1999 bleef hier weinig van over en stortte de gezondheidszorg in elkaar. Onder leiding van de Verenigde Naties is dit deels weer opgebouwd. Basisvoorzieningen zoals waterputten, latrines en klinieken moesten weer worden aangelegd. De gezondheidszorg staat echter nog op een laag peil.
De levensverwachting voor vrouwen is 59 jaar en voor mannen 57 jaar. Volgens de laatste Indonesische Socio-Economic Household Survey (1999) was de kindersterfte 86 per duizend levendgeborenen, bijna het dubbele van dat van Indonesië als geheel. De belangrijkste doodsoorzaken waren infecties, vroeggeboorten en complicaties bij de bevalling. Het aantal kinderen dat stierf voor het vijfde levensjaar was 159 per duizend levendgeborenen, veel hoger dan het cijfer voor Indonesië als geheel (58 per duizend). De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schatte het in 1999 op 125 per duizend. De voornaamste oorzaken zijn diarree, infecties van de luchtwegen, malaria en knokkelkoorts (dengue fever). Chronische ondervoeding is ook een probleem. De moedersterfte is geschat op 890 per 100.000 geboorten in 1999, zeker twee keer dat van Indonesië. De belangrijkste doodsoorzaken zijn postnatale bloedingen en infecties. Volgens de WHO werden slechts twintig procent van de bevallingen geassisteerd door getraind medisch personeel. Vóór de crisis in 1999 was dit 40 procent. Andere ernstige gezondheidsproblemen zijn filariasis, malaria, lepra en tuberculose.
Vóór 1999 was er in Oost Timor geen systeem voor het screenen en testen van HIV/AIDS. De schaarse gegevens geven aan dat HIV/AIDS vooralsnog geen groot probleem is. Wel kwam volgens de WHO in 1999 syfilis vier keer meer voor in Oost Timor (8,2 per 10.000) dan in Indonesië. De WHO meldt in een recent rapport dat er per week rond de 35 nieuwe gevallen van seksueel overdraagbare aandoeningen worden geregistreerd in klinieken in Dili en Bacau. Ter voorkoming van de verdere verspreiding van seksueel overdraagbare ziektes heeft de WHO in Oost Timor een preventieprogramma opgezet.
Tot besluit
Het is duidelijk dat de economie en de gezondheidssituatie in Oost Timor nog veel te wensen overlaten. Behalve het bestuursapparaat, de infrastructuur en het onderwijs is het opbouwen en verbeteren van de gezondheidszorg één van prioriteiten van de overheid en de internationale donorgemeenschap. UNICEF bijvoorbeeld probeert om door middel van nieuwe inentingscampagnes, gezondheidsvoorlichting, training van vroedvrouwen en het beschikbaar stellen van medicijnen de moeder en kindzorg op een hoger plan te brengen. Het bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA) ondersteunt activiteiten op het gebied van reproductieve gezondheidszorg in Oost Timor. Ook de Wereldbank, de WHO en andere donoren ondersteunen programma's ter bestrijding van overdraagbare ziekten en programma's op het gebied van sanitatie, voedselveiligheid en het heropbouwen van de medische infrastructuur. De steun van de internationale donorgemeenschap zal in de komende jaren nog hard nodig zijn voor de verdere opbouw van het land.
Dr. E.J.A.M. Spaan, NIDI
DATABRONNEN:
Up to date demografische gegevens voor Oost Timor zijn schaars en vaak niet consistent. De belangrijkste bronnen van vóór de onafhankelijkheid zijn de Indonesische volkstellingen van 1980 en 1990. Andere bronnen zijn de demografische survey van 1995 (Survei Penduduk Antar Sensus, SUPAS 1995), de Indonesische Socio-Economic Household Surveys (Survei Sosial Ekonomi Nasional, SUSENAS) en de Indonesian Demographic & Health Surveys (IDHS) van 1994 en 1997. De lokale Indonesische overheid in Dili publiceerde ook bevolkingsgegevens. Meer recente gegevens zijn te vinden bij de Wereldbank en het Population Reference Bureau. Relevante websites zijn onder andere:
|
|