DEMOS
=Jaargang 18
=November / december 2002

Nummer  Inhoud


  Vorige artikel Volgende artikel






=Bulletin
=over
=Bevolking
=en
=Samenleving


NIDI

=Een uitgave
=van de
=Stichting
=Nederlands
=Interdisciplinair
=Demografisch
=Instituut



E-mail: demos@nidi.nl


ISSN 0169-1473
AIDS-wezen

VN luidt noodklok
ERNST SPAAN

Onlangs was het weer Wereld AIDS-dag. Herdacht werden de 20 miljoen AIDS-doden tot nu toe. Gedacht werd aan de huidige 40 miljoen mensen die met HIV zijn besmet onder wie drie miljoen kinderen. De gevolgen zijn groot, economisch maar vooral ook voor de miljoenen AIDS-wezen: rond de 13,5 miljoen kinderen verloren hun vader en/of moeder door AIDS. Hun aantal zal volgens een rapport van UNAIDS en UNICEF in 2010 naar verwachting tot 25 miljoen zijn toegenomen.

In juli van dit jaar verscheen een nieuw VN-rapport over de wereldwijde explosieve groei van het aantal weeskinderen als gevolg van de AIDS-epidemie onder de alarmerende titel Children on the Brink 2002. A Joint Report on Orphan Estimates and Program Strategies. Het VN-rapport definieert een AIDS-wees als een kind tussen 0 en15 jaar dat één of beide ouders aan AIDS heeft verloren.  Ook het meer recente Report on the Global HIV/AIDS Epidemic 2002 van UNAIDS en de UNFPA-publicatie State of the World Population 2002 besteden aandacht aan deze groep AIDS-slachtoffers. Volgens UNAIDS, de VN-organisatie waarin UNICEF, UNDP, UNFPA, UNDCP, ILO, UNESCO, WHO en de Wereld Bank zich samen buigen over de HIV/AIDS-problematiek, zijn reeds meer dan 20 miljoen mensen gestorven als gevolg van AIDS. Nog eens ongeveer 40 miljoen leven met HIV van wie drie miljoen kinderen onder de 15 jaar. Het aantal kinderen beneden de 15 die één of twee ouders aan AIDS hebben verloren wordt geschat op rond de 14 miljoen, van wie het overgrote deel in Afrika. Volgens UNAIDS zal dat aantal oplopen tot 25 miljoen in het jaar 2010. Dit betekent dat van alle verweesde kinderen (totaal 106 miljoen in 2010) een kwart wees is geworden als direct gevolg van de AIDS-epidemie.

AIDS-wezen per regio, 1990-2010

Hoewel AIDS ook in Azië snel toeneemt, is Afrika het werelddeel dat vooralsnog het meest onder de AIDS-epidemie te lijden heeft gehad: niet alleen heeft Afrika de meeste AIDS-doden te betreuren maar als gevolg daarvan ook de meeste AIDS-wezen (figuur 1). Van alle kinderen in Sub-Sahara Afrika onder de 15 jaar was in 2001 naar schatting 12 procent wees (inclusief AIDS-wezen). Dit percentage is bijna twee keer zo hoog als dat in Azië (6,5 procent) en meer dan het dubbele van dat in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied (5 procent). Het verschil in proportie hangt samen met de explosie van AIDS in Sub-Sahara Afrika sinds 1990. Het aandeel van Azië in het totale aantal AIDS-wezen is overigens wel sterk aan het toenemen van één procent in 1990 (7.000) tot 14 procent, ofwel 1,8 miljoen kinderen, tien jaar later. Hoewel de HIV-infectiegraad in Azië veel lager is dan die in Sub-Sahara Afrika betekent een relatief kleine stijging van het aantal AIDS-gevallen door de enorme bevolkingsaantallen in Azië een grote absolute groei van het aantal verweesde kinderen. In Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied (LAC) nam het percentage AIDS-wezen op het totaal van 902.000 weliswaar af van zes procent in 1990 naar vier procent van het totaal van 13.440.000 in 2001, hun absolute aantal steeg ook daar en wel van 54.000 naar 578.000 kinderen.

Figuur 1. Gecshatte 
aantallen AIDS-wezen per werelddeel, 1990-2001

Anno 2001 vinden we de meeste AIDS-wezen in Afrika en dan vooral in de landen met de grootste bevolkingsomvang, zoals Ethiopië, Nigeria en de Democratische Republiek Congo, zoals blijkt uit de tabel. Het aantal AIDS-wezen als proportie van het totaal aantal kinderen in de landen afzonderlijk laat zien dat de Afrikaanse landen een veel groter aandeel AIDS-wezen hebben in vergelijking met de Aziatische landen en met Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied: in 2001 loopt dit percentage in de tien Afrikaanse landen met de meeste AIDS-wezen van twee procent (Nigeria) tot 11,5 procent (Zambia) en 13,5 procent (Zimbabwe). In Azië hebben alleen Thailand (1,7 procent) en Cambodja (één procent) relatief hoge cijfers terwijl in
Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied de meeste landen nog onder de één procent blijven, met vier landen tussen de één en twee procent (Suriname, Trinidad-Tobago, Guyana en Barbados). Haïti (zes procent) en de Bahamas (3,3 procent) zijn hier de uitschieters. Wat opvalt in Latijns-Amerika en de Caraïben is dat het probleem vooral nijpend is in het Caraïbisch gebied, waar het percentage HIV-geïnfecteerden hoger is in vergelijking met landen op het Latijns-Amerikaanse vasteland. Hoewel het aandeel HIV-geïnfecteerden op het Zuid-Amerikaanse vasteland over het algemeen lager is, manifesteert het zich wel sterk onder bepaalde risicogroepen zoals injecterende drugsgebruikers, mannen die seks hebben met andere mannen en arbeidsmigranten. Net als in Afrika heeft HIV/AIDS zich in het Caraïbisch gebied meer over de hele bevolking verspreid via (hetero)seksuele contacten. In Afrika manifesteert de AIDS-epidemie zich het hevigst in Oost- en Zuidelijk Afrika maar verspreid deze zich snel over het hele continent.

Absolute aantallen kinderen en AIDS-wezen, landen met meeste weeskinderen als gevolg van AIDS, per werelddeel, 2001 

2001

AIDS-wezen
Totaal aantal kinderen
AIDS-wezen als % van het aantal kinderen
Totale aantal HIV/AIDS-patiënten eind 2001
Bevolkingsomvang 2001
Nigeria
995.000
52.459.000
1,9
3.500.000
116.929.000
Ethiopië
989.000
29.141.000
3,4
2.100.000
64.459.000
DR Kongo
927.000
25.696.000
3,6
1.300.000
52.522.000
Kenia
892.000
13.428.000
6,6
2.500.000
31.293.000
Oeganda
884.000
11.852.000
7,5
600.000
24.023.000
Tanzania
815.000
16.094.000
5,1
1.500.000
35.965.000
Zimbabwe
782.000
5.779.000
13,5
2.300.000
12.852.000
Zuid-Afrika
662.000
14.773.000
4,5
5.000.000
43.792.000
Zambia
572.000
4.961.000
11,5
1.200.000
10.649.000
Malawi
468.000
5.350.000
8,7
850.000
11.572.000
Cambodja
52.000
5.816.000
0,9
170.000
13.441.000
China
76.000
312.107.000
0,0
850.000
1.284.972.000
Thailand
289.000
16.752.000
1,7
670.000
63.584.000
Argentinië
25.000
10.313.000
0,2
130.000
37.488.000
Brazilië
127.000
48.819.000
0,3
610.000
172.559.000
Dominicaanse Republiek
33.000
2.804.000
1,2
130.000
8.507.000
Guatemala
32.000
5.061.000
0,6
67.000
11.687.000
Haïti
200.000
3.307.000
6,0
250.000
8.270.000
Mexico
27.000
32.804.000
0,1
150.000
100.368.000

Bron: gebaseerd op UNAIDS/UNICEF (2002)

Figuur 2 laat zien dat het voorkomen van AIDS-wezen in Sub-Sahara Afrika meer en meer aan de AIDS-epidemie is toe te schrijven : verloor in 1990 nog 20 procent van de weeskinderen één of beide ouder(s) door AIDS, in 2001 was dit in sommige Afrikaanse landen, vooral in Zimbabwe, Zambia, Kenia, Oeganda en Malawi, bij de meeste weeskinderen verreweg de belangrijkste oorzaak van verwezing.

Figuur 2. AIDS-wezen als percentage 
van het totaal aantal weeskinderen, 1990-2001

Sociaal-economische gevolgen

Naast het trauma en de emotionele stress die kinderen oplopen als gevolg van AIDS en het verlies van één of beide ouders, is de impact op het leven van weeskinderen enorm. De gevolgen manifesteren zich op vele manieren:

  • verlies van inkomen met als gevolg toenemende armoede;
  • noodzaak om te werken om inkomen te verwerven;
  • discriminatie, stigmatisering op school en in de maatschappij;
  • toenemende kans op schoolverzuim en daardoor verminderde onderwijskansen;
  • minder aandacht, gezondheidszorg, kleding en voedsel met daardoor kans op verminderde geestelijke en lichamelijke gezondheid;
  • verlies van stabiele familieverbanden (vaak worden de wezen verdeeld over verschillende huishoudens);
  • verlies van rechten, bijvoorbeeld op bronnen van levensonderhoud en erfenissen;
  • toenemende kwetsbaarheid en grotere kans op uitbuiting (kinderarbeid, prostitutie, trafficking) vooral bij straatkinderen;
  • een grotere kans om zelf HIV/AIDS op te lopen.
Gezien de enorme invloed van HIV/AIDS op demografisch, sociaal-psychologisch en economisch gebied in het algemeen en op de situatie van kinderen in het bijzonder is de ontwikkeling en de uitvoering van beleid op dit gebied urgent. Veel landen hebben de doelstellingen op dit punt, zoals die zijn neergelegd in de zogenaamde Declaration of Commitment on HIV/AIDS van de VN (zie kader) onderschreven en zijn bezig om beleid te formuleren en specifieke programma’s voor weeskinderen te verwezenlijken.

MIJLPAAL

Een belangrijke mijlpaal in de strijd tegen AIDS was de Declaration of Commitment on HIV/AIDS die tijdens de Algemene Vergadering van de VN in juni 2001 werd aangenomen. Daarin werden twee doelstellingen geformuleerd die van belang zijn voor het welzijn van kinderen en AIDS-wezen. De landen hebben beloofd om beleid te ontwikkelen gericht op het ondersteunen van seropositieve kinderen en AIDS-wezen. Deze specifieke beleidsmaatregelen dienen vanaf 2005 geïmplementeerd te worden en behelzen onder meer psychosociale begeleiding, toegang tot adequate gezondheidszorg en voeding, het garanderen van scholing en huisvesting, en bescherming tegen uitbuiting, discriminatie en huiselijk en seksueel geweld. 

Voor de financiering van de strijd tegen AIDS is in 2001 de Global Fund to Fight AIDS, Tuberculosis and Malaria (GFATM) in het leven geroepen. 

Bron: UNAIDS (2002).

Twee voorbeelden: Thailand en Nigeria

Nigeria is momenteel het land met het grootste absolute aantal weeskinderen als gevolg van AIDS in Afrika, bijna één miljoen. In Azië is dit Thailand met bijna 290.000 AIDS-wezen.

Thailand

In Thailand wordt het aantal weeskinderen als gevolg van AIDS voor 2001 geschat op bijna 290.000, ongeveer twee procent van het totaal aantal kinderen. Volgens een onderzoek van het Rode Kruis in Thailand in 1996 worden door AIDS verweesde kinderen traditioneel door het familienetwerk opgevangen, veelal door de grootouders. Adoptie van wezen die geen bloedverwanten zijn roept echter weerstand op, zeker als het geassocieerd wordt met HIV/AIDS. Daarnaast spelen (internationale en nationale) niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) en religieuze boeddhistische, islamitische organisaties een rol bij de opvang van AIDS-slachtoffers en hun kinderen. Een voorbeeld hiervan is het Sangha Metta (‘Compassionate monks’)-project opgezet door boeddhistische monniken en gesteund door UNICEF, waarbij de boeddhistische tempelgemeenschappen steun krijgen bij de opvang en educatie van weeskinderen, preventie van HIV/AIDS en (palliatieve) zorg voor AIDS-patiënten.

Het Thaise overheidsbeleid, gericht op het verbeteren van de rechten en levensomstandigheden van kinderen, inclusief weeskinderen, is geïntegreerd in de nationale sociaal-economische ontwikkelingsplannen (1992-1996 en 1997-2001). In het Thaise actieplan voor kinderen, opgesteld naar aanleiding van de World Declaration on the Survival, Protection and Development of Children (New York, September 1990), worden AIDS-wezen specifiek als doelgroep van beleid aangemerkt.  Het Thaise overheidsbeleid is er niet op gericht om weeskinderen in weeshuizen te plaatsen, maar wel om de meer traditionele zorg binnen  familienetwerken in stand te houden en daarnaast de opvang door de boeddhistische gemeenschappen te stimuleren. De Thaise overheid ondersteunt deze organisaties onder andere door fondsen ter beschikking te stellen. In het Thaise Nationale AIDS Programma (1997) wordt het verbeteren van diensten op het gebied van de gezondheidszorg, scholing, beroepsonderwijs en werkgelegenheid als specifieke doelstellingen genoemd, maatregelen die indirect wel ten goede moeten komen aan verweesde kinderen. Het Thaise Ministerie van Arbeid en Sociale Zaken geeft sociale ondersteuning en hulp bij het vinden van werk voor AIDS-weeskinderen. De Thaise overheid geeft ook financiële ondersteuning aan Thaise pleeggezinnen die AIDS-wezen opnemen. Ook neemt de Thaise overheid initiatieven om exploitatie en prostitutie van (straat)kinderen tegen te gaan.

Nigeria

In 1990 nam Nigeria deel aan de World Summit for Children, waarna het land een nationaal actieplan heeft opgesteld. Veel aandacht gaat uit naar voeding, het stimuleren van onderwijs aan (verweesde) kinderen en het tegengaan van kinderarbeid en (seksuele) uitbuiting van kinderen. In 2000 heeft het Nigeriaanse Federal Ministry of Women Affairs and Youth Development het aantal weeskinderen en de opvang daarvan door middel van een survey in kaart gebracht. Net als in Thailand vindt de opvang van weeskinderen hier traditioneel plaats binnen het netwerk van familierelaties. Maar ook hier geldt dat dit door armoede en stigmatisering vaak niet afdoende is. De Nigeriaanse overheid erkent het probleem en heeft het een van de speerpunten van zijn beleid gemaakt. In zijn toespraak voor de Algemene Vergadering van de VN ten tijde van de Declaration of Commitment on HIV/AIDS (juni 2001) brak de Nigeriaanse President Olusegun Obasanjo een lans voor de vele mensen die met HIV/AIDS leven en vooral voor de AIDS-wezen. Ook kondigde hij de HIV/AIDS Emergency Action Plan (HEAP) aan, een actieplan voor de periode 2001-2004, uit te voeren onder auspiciën van het Nigeriaanse National Action Committee on AIDS. Een van de basisdoelstellingen van de HEAP is de verbetering van de positie van weeskinderen, onder andere door middel van financiële steun door de overheid. Nigeria ontvangt fondsen van buitenlandse donoren voor de uitvoering van dit plan, onder meer van de Wereldbank, USAID, DFID en UNAIDS. Daarnaast zijn vele christelijke en islamitische religieuze organisaties actief in de opvang van straatkinderen en wezen.

Tot slot

Gezien de omvang van het aantal AIDS-weeskinderen en de sociaal-economische gevolgen daarvan is de recente aandacht voor deze problematiek meer dan terecht. Duidelijk is dat vooralsnog het probleem van AIDS-weeskinderen het meest nijpend is in Sub-Sahara Afrika. Gezien de omvang van de bevolking in Aziatische landen als China, Indonesië en India, waar HIV/AIDS eveneens een toenemend probleem vormt, valt echter te verwachten dat ook daar het aantal weeskinderen snel zal stijgen. Het verdient aanbeveling om deze groep AIDS-slachtoffers meer aandacht te geven in de nationale AIDS-programma’s en versneld meer financiële middelen vrij te maken om hun positie te verbeteren. Ook is het nodig om meer zicht te krijgen op de complexe relatie tussen AIDS en de effecten op huishoudenssamenstelling, psychosociale opvang van weeskinderen, overlevingsstrategieën en de effecten op (landbouw)productie en inkomens van de getroffen bevolking.

Voor een goed overzicht van organisaties per land of regio die hulp bieden aan AIDS-wezen kan men de AIDS Orphans Assistance Database raadplegen. Deze is opgezet door de Association Francois-Xavier Bagnoud in samenwerking met het Departement Educatie van de Wereldbank. Zie: http://orphans.fxb.org/db/index.html

BRONNEN:

  • Brown, T. en W. Sittitrai (1996), The Impact of HIV on Children in Thailand, Bangkok: Program on AIDS, Thai Red Cross Society and East-West Centre, Hawaii.
  • Children on the Brink 2002. A Joint Report on Orphan Estimates and Program Strategies Washington: Synergy Project, UNAIDS/UNICEF/USAID.
  • National AIDS Committee Thailand (1997), National Plan for the Prevention and Alleviation of HIV/AIDS. Bangkok.
  • Nigeria (2001), HIV/AIDS Emergency Plan, Government of Nigeria, http://www.nigeria-aids.org/pdf/heap.pdf.
  • Thailand (2000), Thailand’s National Report On Follow-up to the World Summit for Children, Bangkok, National Youth Bureau.
  • UN/UNAIDS (2001), UNGASS Declaration of Commitment on HIV/AIDS, http://www.unaids.org/UNGASS/index.html.
  • UNAIDS (2002), Report on the Global HIV/AIDS Epidemic 2002. Geneva.
  • UNFPA (2002), State of the World Population 2002. New York.
  • World Declaration on the Survival, Protection and Development of Children, World Summit for Children on 30 September 1990, New York, UN. http://www.unicef.org/wsc/plan.htm.

Dr. E.J.A.M. Spaan, NIDI


terug naar : INHOUD | REACTIES : demos@nidi.nl


Organization Netherlands Interdisciplinary Demographic Institute

P.O. Box 11650
2502 AR The Hague
The Netherlands

E-mail: info@nidi.nl
NIDI

========

Comments to: webmaster@nidi.nl

Copyright © 2002, NIDI, Netherlands Interdisciplinary Demographic Institute.
Last revision: 20 December 2002.