DEMOS
=Jaargang 19
=April 2003

Nummer  Inhoud


  Vorige artikel Volgende artikel






=Bulletin
=over
=Bevolking
=en
=Samenleving


NIDI

=Een uitgave
=van de
=Stichting
=Nederlands
=Interdisciplinair
=Demografisch
=Instituut



E-mail: demos@nidi.nl


ISSN 0169-1473
Tempo vergrijzing verschilt per gemeente

TINEKE FOKKEMA
Lelystad en Almere in 25 jaar sterkst vergrijsd

Nederland vergrijst in een steeds sneller tempo. In 1975 was 11 procent ouder dan 65, nu is dat 14 en in 2025 zal dat 20 procent zijn. Ons land vergrijst echter niet overal even snel. Opvallend is dat het vooral de ‘jonge’ gemeenten van 25 jaar geleden zijn die nu sterk vergrijzen: de randgemeenten van de drie grootste steden en diverse gemeenten in de provincies Flevoland, Noord-Brabant en Limburg. De snelst vergrijsde gemeenten blijken Lelystad en Almere.

Ouderen (65+) maakten de afgelopen decennia een steeds groter deel van de Nederlandse bevolking uit en verwacht wordt dat deze ontwikkeling zich in de nabije toekomst in een versneld tempo zal voortzetten. Lag in 1975 het percentage 65-plussers nog op 11, momenteel is dit 14 procent. In 2025 zal naar verwachting niet minder dan één op de vijf mensen de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Daarnaast is sprake van een zogenaamde dubbele vergrijzing. Binnen de groep ouderen is het deel  oudere ouderen (80+) het sterkst gestegen. Was in 1975 slechts 18 procent van de 65-plussers 80 jaar of ouder, nu is dat bijna een kwart.

Afname ruimtelijke verschillen

Achter dit nationale beeld gaan grote regionale variaties schuil. Zo doen zich verschillen voor in de omvang en snelheid waarin de afzonderlijke gemeenten de afgelopen kwarteeuw zijn vergrijsd, zoals blijkt uit de figuren 1 t/m 3. Figuur 1 toont de mate van vergrijzing ten opzichte van het landelijke gemiddelde voor het jaar 1975, figuur 2 die voor het jaar 2000. In figuur 3 wordt het tempo weergegeven waarin de gemeenten in de afgelopen 25 jaar zijn vergrijsd (zie kader).

AANPAK

De in dit artikel gebruikte gegevens zijn afkomstig uit het databestand WoningMarktMonitor 2001, samengesteld door ABF Research te Delft. Het totale databestand omvat per gemeente het jaarlijkse aantal personen per leeftijdsjaar voor de periode 1972-2001, uitgaande van de gemeentelijke indeling per 1 januari 2001.

Met de figuren 1 en 2 wordt een beeld gegeven van de veranderingen in de gemeentelijke verschillen in vergrijzing in de periode 1975-2000. Daartoe zijn indexcijfers berekend die voor de jaren 1975 en 2000 tot uitdrukking brengen hoeveel lager of hoger het aandeel ouderen in een gemeente was ten opzichte van het Nederlandse gemiddelde (10,76 voor 1975 en 13,57 voor 2000). Een indexcijfer van 100 houdt in dat het aandeel ouderen in een gemeente gelijk was aan het aandeel ouderen in Nederland als geheel. Indexcijfers van 80 of 120 geven aan dat het aandeel ouderen in een gemeente 20 procent lager respectievelijk hoger lag dan het Nederlandse cijfer. Vervolgens zijn de gemeenten op basis van deze indexcijfers in vijf klassen ingedeeld, oplopend in donkerheid van grijstinten: van sterk ‘groene’ tot en met sterk vergrijsde gemeenten (>=130). In de legenda staat verder per klasse het aantal gemeenten tussen haakjes vermeld.

Figuur 3 geeft inzicht in de stijging van het aandeel ouderen in de periode 1975-2000 per gemeente. De indexcijfers brengen tot uitdrukking de omvang van de toename (>100) of afname (<100) van het aandeel ouderen in 2000 ten opzichte van 1975. Ook hier zijn de gemeenten in vijf klassen ingedeeld en wordt het aantal gemeenten per klasse in de legenda tussen haakjes vermeld. Hoe lichter of donkerder de kleur van een gemeente, des te lager respectievelijk hoger de toename van het aandeel ouderen in de periode 1975-2000 is geweest.

Figuur 1. 
Indexcijfers van het aandeel 65-plussers in 1975 (Nederlands gemiddelde (10,76) = 100)

Figuur 2. 
Indexcijfers van het aandeel 65-plussers in 2000 (Nederlands gemiddelde (13,57) = 100)

Figuur 3. 
Indexcijfers van het aandeel 65-plussers in 2000 (1975 = 100)

Vergelijking van de figuren 1 en 2 laat duidelijk zien dat de vergrijzing nu gelijkmatiger over Nederland is verspreid dan voorheen. Met andere woorden, de gemeentelijke verschillen in vergrijzing zijn in de afgelopen 25 jaar minder geworden. Was in 1975 nog duidelijk sprake van sterk vergrijsde gemeenten aan de ene kant en sterk ‘groene’ gemeenten aan de andere kant, in 2000 komt het aandeel ouderen in beduidend meer gemeenten overeen met het landelijk gemiddelde. 

Inzicht in deze ruimtelijke ontwikkelingen van de vergrijzing is van groot belang voor de ruimtelijke (her)verdeling van de gezondheidszorg in het algemeen en de ouderenzorg in het bijzonder.

Oude en jonge gemeenten

In 1975 beschikten de drie grootste steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag over een relatief hoog aandeel ouderen. In deze drie steden lag het percentage 65-plussers vijf procent hoger dan het landelijke: 16 ten opzichte van 11 procent. Andere (sterk) vergrijsde gemeenten waren in die tijd veel gemeenten in de drie noordelijke provincies, gemeenten in de IJsselvallei, Het Gooi en op de Utrechtse Heuvelrug, aan de kust gelegen gemeenten in Noord- en Zuid-Holland en vrijwel alle gemeenten in de provincie Zeeland. De ‘oudste’ gemeente was in 1975 Bloemendaal, met maar liefst 19,6 procent 65-plussers, op de voet gevolgd door Schiermonnikoog (19,2 procent) en Noord-Beveland (19 procent).

De zeer ‘jonge’ gemeenten daarentegen waren vooral te vinden in de Randstad, Flevoland,  Noord-Brabant en Noord-Limburg. De ‘jonge’ gemeenten in de Randstad waren vooral de gemeenten rondom de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Leiden en Utrecht. De gemeente met in 1975 het laagste aandeel ouderen was Almere (de gemeente Zeewolde bestond toen nog niet), met niet meer dan 1,2 procent 65-plussers.

Vergrijzers en ontgrijzers

Een deel van de in 1975 sterk vergrijsde gemeenten behoort weliswaar ook in 2000 tot de koplopers, maar het zijn juist de ‘jongere’ gemeenten in het verleden die in de afgelopen 25 jaar een enorme inhaalslag hebben gemaakt. In figuur 3 is dit goed te zien. Het zijn vooral de randgemeenten van de drie grootste steden en de provincies Flevoland, Noord-Brabant en Limburg die in de periode 1975-2000 de snelste groei van het aandeel ouderen hebben gekend. De snelst vergrijsde gemeenten zijn Lelystad en Almere, met een toename van het aandeel ouderen van ruim boven de 700 respectievelijk 500 procent ten opzichte van 26 procent landelijk. Een stijging van het aandeel ouderen onder het landelijke gemiddelde daarentegen is vooral te vinden in de provincies Groningen, Friesland en Zeeland, gemeenten in de IJsselvallei en de Betuwe, en in de steden in het westen van Nederland (waaronder Amsterdam, Rotterdam en Den Haag). De verwachting is dat deze regionale ontwikkelingen zich in de nabije toekomst zullen voortzetten. Hierdoor zal zich vooral binnen de grootstedelijke gebieden een interessante verschuiving van het vergrijzingspatroon voordoen: het zijn straks niet langer de grote steden maar de randgemeenten die tot de meest vergrijsde regio’s behoren.

Oorzaken

De voornaamste oorzaken van bovenstaande gemeentelijke verschillen in vergrijzing en de veranderingen daarin, zijn regionale vruchtbaarheidsverschillen in het verleden en leeftijdsspecifieke migratie. Zo hangt het relatief lage percentage ouderen in Noord-Brabant en Noord-Limburg in 1975 alsook de snelle groei van het aandeel ouderen daarna, samen met de aldaar laat in gang gezette, maar scherpe vruchtbaarheidsdaling. In deze katholieke delen van Nederland heeft de godsdienst lang greep gehouden op privézaken als het krijgen van kinderen. Tot in de jaren zeventig was hier het bruto geboortecijfer beduidend hoger dan het landelijke gemiddelde. Vervolgens is het geboortecijfer versneld gedaald tot het landelijke niveau in het begin van de jaren tachtig, met een snelle groei van de vergrijzing tot gevolg.

De verschuiving van het vergrijzingspatroon binnen de grootstedelijke gebieden - een ontgrijzing van de voorheen sterk vergrijsde steden en een sterke vergrijzing van de omliggende gemeenten - kan grotendeels worden verklaard door het suburbanisatieproces dat zich in de jaren zestig en zeventig heeft afgespeeld: veel jonge gezinnen verlieten toentertijd de grote steden en vestigden zich vooral in de randgemeenten en, in het geval van Amsterdam, in de overloopgemeenten Almere en Lelystad. Deze mensen bereiken langzaam maar zeker de pensioengerechtigde leeftijd.

Dat Zeeland al vroeg sterk vergrijsd was, heeft vooral te maken met het feit dat deze provincie in de jaren zestig en zeventig een sterk selectieve uitmigratie van jongeren heeft gekend. Daarnaast blijkt Zeeland in trek te zijn bij vooral de jongere ouderen. Andere trekpleisters behoren grotendeels tot de andere vergrijsde regio’s: de kustgemeenten in het westen, de Utrechtse Heuvelrug, de IJsselvallei en delen van Drenthe. In deze laatste provincie heeft men daarvoor een aardige term bedacht: drentenieren, oftewel financieel draagkrachtige gepensioneerden die hun provincie verlaten om hun laatste levensfase in de relatief bosrijke en rustige provincie Drenthe door te brengen.
 

Dr. C.M. Fokkema, NIDI


terug naar : INHOUD | REACTIES : demos@nidi.nl


Organization Netherlands Interdisciplinary Demographic Institute

P.O. Box 11650
2502 AR The Hague
The Netherlands

E-mail: info@nidi.nl
NIDI

========

Comments to: webmaster@nidi.nl

Copyright © 2003, NIDI, Netherlands Interdisciplinary Demographic Institute.
Last revision: 13 June 2003.